Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07/786 WWB, 07/6754 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. In beginsel geen uitkering voor datum aanvraag/melding CWI. BIjzondere omstandigheden? Brieven Uwv inzake beëindiging WW-uitkering niet ontvangen/ niet verzonden? Zelf beëindiging WW in de gaten houden.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 43
Participatiewet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/176 met annotatie van Red

Uitspraak

07/786 WWB

07/6754 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2006, 06/350 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Namens appellant is verschenen P.P.W. Eijssen, vader van appellant. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 19 mei 2005 was de maximale termijn van toekenning van die uitkering verstreken. Appellant heeft op 15 juli 2005 algemene bijstand aangevraagd.

Bij besluit van 5 september 2005 heeft het College onder meer aan appellant met ingang van 15 juli 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 5 september 2005, welke bezwaren onder meer waren gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand, gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken, en vervolgens - voor zover in dit geding van belang - aan appellant bijstand toegekend met ingang van 15 juli 2005 en daarop de maatregel van verlaging van de bijstand met 100% gedurende 1 maand toegepast.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent het griffierecht, het beroep tegen het besluit van

6 december 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd - onder meer - voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de bijstand. Het besluit is in stand gelaten voor zover het ziet op de ingangsdatum van de bijstand.

Tegen dit laatste is het hoger beroep van appellant gericht.

Het College heeft in die uitspraak berust en op 6 maart 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, dat aan de Raad is overgelegd. Bij dat besluit is de ingangsdatum van de bijstand ongewijzigd gebleven.

Uit het vorenstaande volgt dat uitsluitend de ingangsdatum van de bijstand nog in geding is. Gelet hierop komt de Raad tot de volgende beoordeling.

In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Vast staat dat appellant zich voor zijn aanvraag om bijstand op 15 juli 2005 tot het Centrum voor werk en inkomen (CWI) heeft gewend. Appellant wenst echter reeds met ingang van 19 mei 2005, in aansluiting op zijn WW-uitkering voor bijstand in aanmerking te komen.

Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij de brieven van het Uwv van 27 december 2004 en van 19 april 2005, waarin hem mededeling is gedaan omtrent (het tijdstip van) de beëindiging van zijn uitkering ingevolge de WW, nooit heeft ontvangen en dat het College hiernaar een nader onderzoek had moeten instellen. De Raad deelt dit standpunt van appellant niet. Nu die brieven van een ander uitvoeringsorgaan dan het College afkomstig zijn, kan het College niet verantwoordelijk worden gehouden voor het (op juiste wijze) verzenden van die brieven. Reeds daarom treft het beroep dat appellant heeft gedaan op de vaste rechtspraak van de bestuursrechter dat een bestuursorgaan dat zich beroept op verzending van een brief bij betwisting daarvan de verzending van die brief aannemelijk moet maken, hier geen doel.

Nu appellant voorts stelt dat het feit dat hij de brieven van het Uwv niet heeft ontvangen geldt als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, ligt het naar het oordeel van de Raad op zijn weg om die stelling aannemelijk te maken. Bij de gedingstukken bevinden zich afschriften van de bewuste brieven, afkomstig uit het archief van het Uwv. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat deze brieven, die aan zijn toenmalige adres zijn gericht, niet zijn verzonden.

Voor zover appellant zich er op beroept dat hij die brieven niet heeft ontvangen als gevolg van problemen met de postbezorging op zijn toenmalige adres, is de Raad van oordeel dat dit voor zijn risico moet blijven.

Verder deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust, dat appellant - anders dan hij stelt - er niet van mocht uitgaan dat zijn WW-uitkering automatisch zou worden omgezet naar een bijstandsuitkering en dat appellant zelf het tijdstip van beëindiging van zijn WW-uitkering in de gaten had moeten houden. In geval van twijfel had appellant daarover bovendien contact dienen op te nemen met het Uwv.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht het standpunt van het College heeft onderschreven dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om met ingang van 19 mei 2005, althans een eerdere datum dan 15 juli 2005, bijstand aan appellant te verlenen.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

Gelet op het voorgaande behoeft het besluit van het College van 6 maart 2007 geen bespreking meer.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.J. van der Veen.

IJ