Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06-318 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het medisch en arbeidskundig onderzoek geven een adequate en toereikende grondslag voor de schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/318 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 december 2005, 05/1232 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 februari 2008, waar appellant en zijn gemachtigde met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant is op 11 maart 2002 uitgevallen voor zijn werk als postsorteerder voor ongeveer 26 uur per week wegens rugklachten en psychische klachten. Hij ontvangt vanaf 15 maart 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Naar aanleiding van de eerstejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van

10 september 2004 appellants WAO-uitkering met ingang van 10 november 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 29 april 2005, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 september 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, met beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat het bestreden besluit niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4719), dat eerst na de beslissing op bezwaar de geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies deugdelijk en voldoende is toegelicht.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellant acht zich vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt. Zijn medische toestand is niet verbeterd ten opzichte van de vorige beoordeling. Naar de mening van appellant had het in beroep overgelegde medisch journaal van de huisarts van 28 februari 2005 aanleiding moeten zijn voor een diepgaander onderzoek.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Naar het oordeel van de Raad ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldige medische beoordeling ten grondslag. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts appellant lichamelijk heeft onderzocht. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts het medisch journaal van de huisarts van 28 februari 2005 in de beoordeling betrokken. Uit deze informatie blijkt niet dat de medische beperkingen van appellant, als weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 21 mei 2004, door het Uwv zijn onderschat. Tevens ziet de Raad daarin geen aanleiding om een nader onderzoek in te (doen) stellen.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant, gelet op de notities functiebelasting en de arbeidskundige rapportages, in staat moet worden geacht de functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), elektronica monteur (sbc-code 267040) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) te vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Lochs.

RJB