Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06-3183 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische grondslag juist? Informatie van Instituut Psychosofia bevat geen objectieve medische gegevens die doen twijfelen aan medische oordeel van verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3183 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2006, 05/6203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 2 december 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was. In de door appellant overgelegde informatie van Instituut Psychosofia, van de orthopedisch chirurg, de internist, de huisarts, de arbo-arts, de radioloog en de cardioloog heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De in de voorgehouden functies voorkomende belasting overschrijdt appellants mogelijkheden om te functioneren niet.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak onvoldoende gemotiveerd en niet objectief is, dat hij een aangeboren rugafwijking heeft, maag- en hartklachten en dat hij langdurig onder behandeling van de fysiotherapeut is geweest.

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij brieven van Instituut Psychosofia van 8 november 2006 en 4 december 2007 overgelegd.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische kant van de zaak bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank ter zake. De brieven van Instituut Psychosofia bevatten geen objectieve medische gegevens die doen twijfelen aan het medische oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. De Raad sluit zich voorts aan bij het oordeel van de rechtbank over de informatie van de orthopedisch chirurg, de internist, de huisarts, de arbo-arts, de radioloog en de cardioloog. In deze informatie is geen reden te vinden om verdergaande beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts in de FML heeft gedaan. De Raad voegt daar nog aan toe dat de door appellant overgelegde informatie van de internist vermeldt dat de laboratoriumuitslagen normaal zijn en dat ook een echo van de buik geen bijzonderheden geeft. De cardioloog vindt bij laboratoriumonderzoek en een ECG geen afwijkingen. De Raad wijst er op dat de verzekeringsarts forse beperkingen ten aanzien van rugbelasting heeft aangenomen. De door appellant in hoger beroep overgelegde brieven van Instituut Psychosofia bevatten evenmin medisch objectieve feiten die tot de conclusie moeten leiden dat sprake is van meer beperkingen. De Raad verwijst in dit verband naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 27 februari 2008.

Appellant heeft ter zitting aangegeven dat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de FML, tegen de functies zelf geen bezwaren bestaan. Gelet hierop behoeven de functies geen afzonderlijke bespreking.

De stelling van appellant dat de rechtbank haar oordeel niet gemotiveerd heeft en niet objectief is treft evenmin doel. Uit de uitspraak blijkt voldoende om welke redenen de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Van enige aanwijzing die duidt op vooringenomenheid van de rechtbank is geen sprake.

Het hoger beroep slaagt niet.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door J. W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

CVG