Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
06-5174 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Ondanks de persoonlijkheidsstoornis en met inachtneming van de daaruit voortvloeiende medische beperkingen is betrokkene in staat de voor hem geschikte werkzaamheden te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5174 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2006, 05/2291 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.P. Bouma, advocaat te Steenwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 3 november 2005 het besluit van 31 mei 2005 is gehandhaafd. Daarbij heeft het Uwv de aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 31 juli 2005 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat zij geen reden ziet de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden en dat zij geen aanleiding heeft gezien het advies van een medisch deskundige in te winnen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv een voldoende inzichtelijke onderbouwing heeft gegeven van het feit dat de aan appellant voorgehouden functies binnen zijn belastbaarheid blijven. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu voor appellant voldoende functies op basis van de voor hem vastgestelde beperkingen geduid kunnen worden en de verdiensten in die functies, afgezet tegen het maatgevend loon, geen verlies aan verdiencapaciteit van tenminste 15% laten zien, het Uwv terecht de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering per 31 juli 2005 heeft ingetrokken. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank in verband hiermee ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) erop doen wijzen dat hij een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft, waardoor hij grote moeite heeft om zich in het dagelijks leven staande te houden en buiten zijn gezin geen sociale contacten onderhoudt. Bovendien is zijn situatie des te zorgelijker, omdat hij door zijn stoornis ook contacten met de hulpverlening vermijdt. In ieder geval is zijn medische situatie dermate ernstig dat niet toegekomen wordt aan een arbeidskundig onderzoek. De Raad begrijpt dit laatste aldus dat al zonder arbeidskundig onderzoek duidelijk is dat appellant op grond van zijn persoonlijk en sociaal functioneren volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Ter adstructie van zijn hoger beroep heeft appellant bij brief van 1 maart 2007 van zijn huisarts afkomstige informatie ingezonden alsmede een door de psychiater H. Jordan op 16 februari 2007 opgesteld behandelplan. Voorts heeft appellant bij brief van

7 maart 2008 een bericht van gelijke datum van de psychiater Jordan ingezonden betreffende zijn huidige gezondheidssituatie.

Het Uwv heeft middels inzending van een rapport van 14 februari 2008 van de bezwaarverzekeringsarts A. Laros op de bij brief van 1 maart 2007 ingezonden medische gegevens gereageerd. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft aan de hem ter beschikking staande medische gegevens geen argumenten kunnen ontlenen voor een ander standpunt dan dat door de verzekeringsarts is ingenomen. Daarbij is erop gewezen dat bij appellant sprake is van een milde stemmingsstoornis (dysthemie) en dat daaruit het gestelde onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren zeker niet te verklaren is, mede gezien de zogeheten GAF-score van 70/60. Deze score geeft, aldus de bezwaarverzekeringsarts, globaal weer dat sprake is van enkele problemen in het sociaal en beroepsmatig functioneren.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

De Raad wijst erop dat de gezinssituatie van appellant en de wijze waarop hij daarin functioneert onderwerp van uitvoerig onderzoek is geweest, zowel van de verzekeringsarts als van de bezwaarverzekeringsarts G. Zomer. Laatstgenoemde heeft de hoorzitting bijgewoond en met betrekking tot de gezinssituatie vragen gesteld. Hoewel de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 oktober 2005 constateert dat het gesprek met appellant aanvankelijk zeer moeizaam verliep, heeft appellant uiteindelijk zelf kunnen vertellen hoe zijn dagbesteding is. De mededelingen daaromtrent, zo heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld, komen overeen met de mededelingen die zijn echtgenote tijdens het onderzoek bij de verzekeringsarts heeft verstrekt. Het komt er op neer dat appellant in feite het huishoudelijk werk verricht, boodschappen doet, de verzorging van zijn zoon realiseert etc. Uit het gesprek met appellant komt naar voren dat zijn echtgenote in feite niets doet in het huishouden, daar zij zich daartoe psychisch niet in staat acht. Met de verzekeringsarts is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat appellant op micro- en mesoniveau adequaat functioneert, doordat hij de volledige verantwoordelijkheid draagt voor zijn huishouden en de verzorging c.q. opvoeding van zijn zoon. De bezwaarverzekeringsarts Laros heeft in zijn voormeld rapport van 14 februari 2008 dit onderschreven.

Hetgeen de psychiater Jordan in zijn brief van 7 maart 2008 vermeldt geeft de Raad geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de situatie van appellant door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen is onderschat. In deze brief vermeldt deze psychiater de omstandigheid dat appellant wat vroeger naar bed gaat. Voorts worden een aantal adviezen om zijn lichamelijke conditie te verbeteren vermeld. Psychiater Jordan verwacht blijkens zijn brief overigens niet dat appellant deze zal opvolgen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Raad nog op dat hieruit een soortgelijk beeld van de activiteiten van appellant naar voren komt als eerder door de bezwaarverzekeringsarts Zomer is geschetst. Aangenomen moet derhalve worden dat appellant in staat moet worden geacht om, ondanks de bij hem bestaande persoonlijkheidsstoornis en met inachtneming van de daaruit voortvloeiende medische beperkingen, voor hem geschikte werkzaamheden te verrichten. De omstandigheid dat appellant meent dat hij door zijn zorgende taak voor zijn zoon en het huishouden daartoe niet in staat is, doet daar niet aan af.

Ten slotte merkt de Raad op dat het hem niet is ontgaan dat de bezwaarverzekeringsarts Laros kennelijk uitgaat van een lichtere problematiek bij appellant dan de verzekeringsarts S. Ytsma in zijn rapport van 4 maart 2005 heeft weergegeven. Ter zitting is van de zijde van het Uwv aangegeven dat voor de functionele mogelijkheden van appellant maatgevend is hetgeen door de verzekeringsarts Ytsma in de Functionele Mogelijkhedenlijst is vermeld en dat deze lijst aan de schatting waarop het bestreden besluit ziet, ten grondslag is gelegd. In zoverre heeft de andere inschatting door de bezwaarverzekeringsarts Laros met betrekking tot de gezondheidsituatie van appellant derhalve geen doorslaggevende betekenis.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL