Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
05-5836 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderschatting van beperkingen? Verzuimd te toetsen aan MAOC-richtlijn? Onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de verzekeringsartsmet betrekking tot de vaststelling van de belastbaarheid en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5836 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 september 2005, 04/3320 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Bouman, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 februari 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.P. Ufkens, kantoorgenoot van mr. Bouman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.F. Bergman.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 3 november 2004 (bestreden besluit), waarbij het besluit van 18 mei 2004 houdende de weigering om aan appellante per 7 april 2004 een WAO-uitkering toe te kennen is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ervan uit gaat dat de bij haar aanwezige beperkingen niet als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken kunnen worden aangemerkt. Zij heeft verdergaande beperkingen ten gevolge van vermoeidheidsklachten en pijnklachten en acht de gevolgen voor duurbelasting niet (voldoende) betrokken in het onderzoek. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat het Uwv heeft verzuimd te toetsen aan de MAOC-richtlijn.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante het expertiserapport van neuroloog E. Oosterhof d.d. 3 april 2007 en de brief van R. Brouwer, arts verbonden aan de Polikliniek Manuele Geneeskunde te Eindhoven d.d 20 januari 2003, overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

In paragraaf 4.6 van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC), welke paragraaf de problematiek rond "moeilijk objectiveerbare aandoeningen" tot onderwerp heeft, is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen worden niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. In dat verband wordt van belang geacht of hun bestaan aannemelijk te achten is en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt.

Voor het onderhavige geval betekent dat het volgende.

Op grond van de voorhanden medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de verzekeringsarts A.M.M. Despiegelaere met betrekking tot de vaststelling van de belastbaarheid van appellante en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen in twijfel te trekken. Deze arts heeft rekening gehouden met de bij appellante bestaande whiplashklachten door op de FML van 29 maart 2004 beperkingen aan te geven voor het verrichten van arbeid. Bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink heeft op 4 oktober 2004 aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft in zijn rapport van 18 februari 2008 geconcludeerd dat nogmaals vanuit verschillende invalshoeken wordt bevestigd dat er bij appellante weinig tot geen objectieve functieafwijkingen zijn vastgesteld en dat er geen aanleiding is om het eerder ingenomen standpunt op verzekeringsgeneeskundige gronden te wijzigen. De Raad heeft geen aanleiding om aan dit zorgvuldig gemotiveerde standpunt te twijfelen.

Gelet op deze medische bevindingen kan niet gezegd worden dat het Uwv bij de voorbereiding van het bestreden besluit in strijd met de Richtlijn heeft gehandeld.

De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar standpunt dat de verzekeringsarts op basis van het klachtenpatroon van appellante verdergaande beperkingen in aanmerking had moeten nemen.

De Raad is voorts van oordeel dat appellante, gelet op de beschikbare informatie, in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Lochs.

JL