Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
06-357 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking WAO-uitkering: niet meer arbeidsongeschikt. Is de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en de medische geschiktheid van de functies voor betrokkene voldoende gemotiveerd in hoger beroep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/357 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 december 2005, 2005/28 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 april 2007 heeft mr. C.C. Berends, verbonden aan Simons & Partners te Gulpen, zich als gemachtigde van betrokkene gesteld. Bij faxbericht van 21 december 2007 is namens betrokkene nog een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als modinette voor 20 uur per week en zij ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 8 maart 2000 is betrokkene uitgevallen met lage rugklachten. Na het verstrijken van de wettelijke wachttijd heeft de rechtsvoorganger van appellant haar bij besluit van 10 juli 2001 met ingang van

7 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid na een jaar heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gevonden, waaruit appellant de conclusie heeft getrokken dat de mate van arbeidsongeschiktheid is gedaald naar 0%. Bij besluit van 12 december 2003 is de uitkering van betrokkene ingetrokken met ingang van 15 januari 2004. Het bezwaar hiertegen van betrokkene is bij besluit van 25 november 2004 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 25 november 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft betrokkene beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar zij heeft de arbeidskundige grondslag onvoldoende geacht. In dit verband heeft zij overwogen dat appellant weliswaar het bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruikte ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft aangepast na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.v.) waarin op een aantal punten kritiek is geuit, maar dat deze aanpassingen nog niet op alle punten toereikend zijn, in het bijzonder als het gaat om het wijzigen door de arbeidsdeskundige van een “M” in een “G” bij een mogelijke overschrijding, hetgeen meebrengt dat de arbeidsdeskundige de motivering van een beoordelingspunt in een functie achterwege kan laten. Wat betreft het onderhavige geval is de rechtbank voorts van oordeel dat met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) geen gemotiveerde toelichting is gegeven waarom een overschrijding op het punt “reiken” is toegestaan. Om deze redenen heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Zij heeft tevens bepaald dat aan betrokkene het betaalde griffierecht moet worden vergoed.

Appellant kan zich niet met deze uitspraak verenigen. Naar zijn mening komen de aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate tegemoet aan de kritiekpunten van de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004. Appellant heeft voorts een rapport van 19 december 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris ingezonden, waarin met betrekking tot alle geduide functies een toelichting wordt gegeven op die aspecten waarin de belastbaarheid van betrokkene mogelijk wordt overschreden. Uit deze toelichting blijkt dat alle functies medisch passend zijn, zij het dat in de SBC-code 282101 de functie chauffeur tandtechnisch laboratorium moet vervallen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant meegedeeld, dat het hoger beroep zich, gelet op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971 e.v.) over het aangepaste CBBS-systeem en op de door de bezwaararbeidsdeskundige Saris in de onderhavige zaak in hoger beroep gegeven toelichting, beperkt tot het verzoek de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De gemachtigde heeft hier nog aan toegevoegd dat bij nader inzien in de SBC-code 315120, telefoniste-receptioniste, 4 arbeidsplaatsen moeten vervallen vanwege een overschrijding op het aspect zitten, maar dat voldoende arbeidsplaatsen resteren.

De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep zich beperkt tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en in het bijzonder tot de vraag of de medische geschiktheid van de functies voor betrokkene voldoende is gemotiveerd. De door betrokkene in haar verweerschrift aangevoerde gronden, welke in feite zien op de juistheid van de vaststelling van de FML dienen buiten beschouwing te blijven nu betrokkene zelf geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit.

De Raad heeft, gelet op de gedingstukken en de ter terechtzitting gegeven toelichting, geen twijfel dat de geschiktheid van betrokkene voor de haar geduide functies (thans) voldoende door appellant is gemotiveerd. Van de zijde van betrokkene zijn geen argumenten aangevoerd die aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat de geduide functies niet voor haar geschikt zouden zijn of twijfel wekken aan andere arbeidskundige aspecten van de schatting.

Zoals appellant heeft gesteld is pas met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 december 2005, dus eerst in de fase van hoger beroep, een onderbouwing gegeven die voldoet aan de door de Raad in zijn eerder genoemde uitspraken gestelde eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Dit moet tot de conclusie leiden dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. Gelet echter op de in hoger beroep gegeven toelichting zal de Raad de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand laten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Van redelijkerwijs gemaakte proceskosten van de zijde van betrokkene in hoger beroep is de Raad in dit geval immers met de indiening van het aanvullend verweerschrift, gezien het door betrokkene reeds eerder ingediende en gemotiveerde verweerschrift, niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL