Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
05-5545 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingediende stukken door het bestuursorgaan worden niet bij de beoordeling betrokken vanwege o.a. de omvang van de stukken. Deskundige: Wegrakingen zijn psychogene aanvallen. Arbeidsbeperkingen moeten ten aanzien van een aantal aspecten dienen te worden bijgesteld. Bevestiging uitspraak rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5545 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 augustus 2005, 04/4672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft de eerste maal plaatsgevonden op 11 mei 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman.

De Raad heeft het onderzoek heropend, waarna een deskundige op verzoek van de Raad betrokkene heeft onderzocht en daarvan een verslag heeft uitgebracht.

Vervolgens heeft op 14 maart 2008 een nieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff. Betrokkene en haar voornoemde raadsman zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft laatstelijk gewerkt als tuinbouwmedewerkster. Terwijl zij een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet (WW) ontving heeft zij zich op 11 april 2003 met psychische klachten ziekgemeld. Bij besluit van 27 mei 2004 heeft appellant geweigerd betrokkene, aansluitend aan de wachttijd van 52 weken, per 8 april 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Naar het oordeel van appellant is betrokkene per laatstgenoemde datum met haar arbeidsbeperkingen in staat te achten om een aantal functies uit te oefenen. Met deze functies kan zij een zodanig inkomen verwerven, dat haar verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 12%, dus minder dan 15%, bedraagt. Bij besluit van 23 september 2004 heeft appellant de bezwaren tegen de weigering betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 23 september 2004 vernietigd. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene te nemen, onder veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene en met de bepaling dat aan haar het griffierecht vergoed moet worden. In de uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat hoewel geen objectieve oorzaak voor het frequent flauwvallen van betrokkene is gevonden, dat niet betekent dat de klachten niet reëel zijn en dat daaraan geen als ziekte of gebrek aan te merken oorzaak ten grondslag ligt, ook nu onderzoek naar de oorzaak van de wegrakingen nog steeds plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene niet meer en zwaardere beperkingen heeft dan in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) zijn opgenomen.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft ter onderbouwing daarvan een rapportage d.d. 23 augustus 2005 van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus ingezonden. Deze is van mening dat wel degelijk in de FML rekening is gehouden met de uit eventuele wegrakingen voortvloeiende beperkingen van betrokkene, en dat er geen dringende reden is verdere onderzoeken naar onbegrepen klachten af te wachten.

De Raad oordeelt allereerst dat de door appellant bij brief van 10 maart 2008 ingezonden stukken binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangegeven termijn van 10 dagen voor de zitting zijn ingediend en daarom door de Raad, gelet ook op de omvang van deze stukken, de namens betrokkene gemaakte bezwaren tegen deze late inzending en nu ter zitting namens appellant bovendien is aangegeven dat ook deze stukken nog aangevuld dienen te worden, niet bij de beoordeling van het onderhavige geschil zullen worden betrokken.

De Raad heeft als onafhankelijke deskundige benoemd de psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle, die met een rapport van 9 november 2007 de Raad van verslag en advies heeft gediend.

Blijkens het rapport van de deskundige Van Marle is betrokkene op twee dagen onderzocht op de polikliniek Psychiatrie van het Erasmus MC te Rotterdam, heeft een statusonderzoek plaats gevonden en is aanvullende correspondentie opgevraagd bij de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland. Van Marle heeft voorts bij zijn onderzoek de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen betrokken alsmede de beschikbare informatie van de artsen die betrokkene hebben behandeld. Op basis hiervan is Van Marle tot de conclusie gekomen dat de wegrakingen van betrokkene niet als epileptisch of organisch moeten worden geduid, maar als psychogene aanvallen. Voorts is hij bij de beantwoording van de door de Raad gestelde vragen op voor de Raad overtuigende wijze tot de conclusie gekomen dat de arbeidsbeperkingen van betrokkene ten aanzien van een aantal aspecten dienen te worden bijgesteld.

In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Blijkens hetgeen hieromtrent ter zitting namens appellant naar voren is gebracht, meent ook appellant dat er geen reden is de conclusies van de deskundige niet te volgen.

Gelet hierop dienen de arbeidsbeperkingen van betrokkene, zoals die zijn vastgelegd in de FML van 26 april 2004 op een aantal punten te worden bijgesteld. Allereerst heeft de deskundige vermeld dat naar zijn mening, ook als het aspect taalbarrière hier niet bij wordt betrokken, aannemelijk is dat bij betrokkene sprake is van verminderde concentratie. Voorts acht hij de arbeidsmogelijkheden van betrokkene, anders dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen was aangenomen, beperkt op de aspecten “verdelen van de aandacht”, “emotionele problemen van anderen hanteren”, “eigen gevoelens uiten” en “klimmen (op een ladder)”. Tot slot acht hij aannemelijk dat betrokkene alleen onder begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen, waarbij hij in zijn rapport heeft aangegeven dat deze begeleiding door een naaste zou moeten plaats vinden.

Omdat de aan betrokkene voorgehouden functies belastende factoren kennen op de aspecten waarop de belastbaarheid van betrokkene naar het oordeel van de deskundige door appellant is onderschat, vloeit naar het oordeel van de Raad uit het vorenoverwogene voort, dat het besluit van 23 september 2004 op een onvoldoende medische grondslag berust en door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, terecht is vernietigd. Het hoger beroep van appellant slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, door de Raad begroot op € 805,- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL