Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
06-4288 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Medische grondslag van het bestreden besluit. Niet aannemelijk gemaakt dat nieuwe informatie van de behandelend sector tot een ander oordeel over de vastgestelde beperkingen had kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4288 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2006, kenmerk 05/552 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Mr. E. Tahitu, advocaat te Amsterdam, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellante is aldaar – zoals tevoren schriftelijk bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

In het kader van de behandeling van haar aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellante op 27 oktober 2003 op het spreekuur geweest van verzekeringsarts R.J. van Pinxteren. Blijkens zijn rapport van 27 oktober 2003 heeft hij appellante onderzocht en heeft hij kennis genomen van de aanwezige brieven van cardioloog T.B. Tan van 23 mei 2003 en van revalidatie-arts H. Konijnenbelt van 4 juni 2003. De voor appellante per einde wachttijd geldende arbeidsbeperkingen heeft hij neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), gedateerd 31 december 2003. Op basis van deze FML heeft arbeidsdeskundige W.F. Evegaars met behulp van het CBBS een drietal functies geselecteerd, te weten Inpakker (sbc-code 111190), Textielproductenmaker (sbc-code 111160) en Productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Tevens heeft de arbeidsdeskundige de functie Productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) geselecteerd.

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante per 6 oktober 2003 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, aangezien zij per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2004. Tijdens de bezwaarprocedure heeft zij een brief van revalidatie-arts Konijnenbelt, van 10 november 2004, overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans kon zich na dossieronderzoek verenigen met de FML van 31 december 2003. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er geen reden om aan te nemen dat de woede-aanvallen, genoemd in de brief van de revalidatie-arts van 10 november 2004, ook reeds aanwezig waren op de datum in geding. De bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft de geselecteerde functies onveranderd geschikt geacht voor appellante.

Bij besluit van 3 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 februari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat het Uwv over voldoende gegevens beschikte om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te komen. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

Blijkens het in beroep door het Uwv overgelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige A.M.A. Kuiper van 27 april 2006 is de functie productiemedewerker industrie niet langer geschikt te achten. Vervolgens wordt de functie productiemedewerker textiel, geen kleding mede aan de schatting ten grondslag gelegd, hetgeen geen wijziging brengt in de vaststelling dat appellante per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep beperkt tot het aanvechten van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben volgens appellante niet zorgvuldig gehandeld. De verzekeringsarts heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend sector en de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante niet lichamelijk onderzocht. Volgens appellante is het aannemelijk dat de woede-aanvallen die zij in maart 2004 bij de revalidatie-arts heeft gemeld, ook aanwezig waren op de datum in geding, mede gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidskundige en de brief van de revalidatie-arts van

4 juni 2003, waarin ook al lichte impulsiviteit en agressiegevoelens werden vermeld. De rechtbank had aanleiding moeten zien om een medisch deskundige te benoemen.

Van de zijde van het Uwv is in hoger beroep een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kuiper van 14 februari 2008 overgelegd. Daarin wordt de geschiktheid voor de geduide functies verder toegelicht en geconcludeerd dat appellante per einde wachttijd onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad ziet derhalve geen redenen op grond waarvan de rechtbank een medisch deskundige had moeten benoemen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

De wijze waarop het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden, ontmoet bij de Raad geen bezwaar. De verzekeringsarts heeft informatie van de cardioloog en van de revalidatie-arts bij zijn onderzoek betrokken. Appellante heeft niet aangegeven bij welke behandelaar de verzekeringsarts informatie had moeten inwinnen en zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat nieuwe informatie van de behandelend sector tot een ander oordeel over de vastgestelde beperkingen had kunnen leiden. De omstandigheid dat de verzekeringsarts geen nieuwe informatie heeft ingewonnen, acht de Raad dan ook niet onzorgvuldig. Nu de bezwaarverzekeringsarts bij haar onderzoek beschikte over een aantal brieven van de behandelend sector, waaronder de in bezwaar overgelegde brief van de revalidatie-arts van 10 november 2004, acht de Raad het achterwege laten van een eigen lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet onzorgvuldig.

Uit de brief van de revalidatie-arts van 10 november 2004 blijkt dat appellante, nadat zij zelf de controles in oktober 2003 had afgesloten, in maart 2004 opnieuw door de revalidatie-arts is gezien. Daarbij is door appellante aangegeven dat zij ondermeer last heeft van woede-aanvallen. De Raad onderschrijft het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de brief van de revalidatie-arts van 10 november 2004 geen reden vormt om aan te nemen dat de problematiek van woede-aanvallen in ernstige mate ook aanwezig was op de datum in geding. Anders dan appellante heeft gesteld, blijken uit het rapport van de verzekeringsarts en uit de brief van de revalidatie-arts van 10 juni 2003 geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat op de datum in geding ook sprake was van woede-aanvallen. Ook uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijken hiervoor geen aanwijzingen. De vermelding in het rapport van de arbeidskundige dat appellante last heeft van agressie-aanvallen is gebaseerd op een gesprek met appellante op 27 januari 2004, hetgeen geruime tijd is na de datum in geding. De Raad concludeert derhalve dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding vormt om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om, als namens appellante verzocht, haar door een onafhankelijke deskundige te doen onderzoeken.

Het hoger beroep treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

TM