Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
06-4214 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Progressieve ziekte MS. Toename beperkingen. Vanaf 29 oktober 2004 volledige WAZ-uitkering. Zijn de beperkingen indertijd (29 november 2002) te licht zijn vastgesteld? Onderschatting van beperkingen. Duurbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4214 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2006, 05/5592 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Alderlieste, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als zelfstandig voeger, toen hij in 1999 zijn werkzaamheden heeft moeten staken met klachten van zijn linkerbeen, gediagnosticeerd als multiple sclerose (MS). Op 9 november 2001 heeft hij het Uwv gevraagd hem een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen en daarbij overwogen dat appellant per 12 september 2000, in aansluiting aan de periode van 52 weken na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Op verzoek van appellant heeft op 2 september 2003 een medisch heronderzoek plaats gehad. De verzekeringsarts

A. de Cler is van mening dat alleen de linkerbeen beperkingen van appellant iets zijn toegenomen vanaf 1 november 2002 en heeft deze vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst van 2 september 2003. Met deze beperkingen wordt appellant nog in staat geacht een aantal gangbare functies te verrichten waarmee hij een zodanig loon kan verdienen dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedraagt.

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het Uwv daarop geweigerd aan appellant per 29 november 2002, aansluitend aan de periode van vier weken nadat zijn beperkingen zijn toegenomen, een uitkering op grond van de WAZ toe te kennen. De bezwaren van appellant tegen dit besluit zijn bij besluit van 21 juli 2004 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 22 februari 2005 (04/2613) gegrond verklaard en het besluit van 21 juli 2004 is vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het op de weg van het Uwv had gelegen om specifieke informatie bij de appellant behandelend neuroloog op te vragen met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant per de in geding relevante datum 29 november 2002. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv nader dient te motiveren waarom er voor appellant geen urenbeperking is opgenomen en waarom appellant op het aspect hand- en vingergebruik slechts tot de normaalwaarde beperkt wordt geacht. De rechtbank acht ook een aantal aspecten van de belasting van de appellant voorgehouden functies onvoldoende gemotiveerd.

Het Uwv heeft in deze uitspraak berust. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft vervolgens een aantal gerichte vragen gesteld aan appellants behandelend neuroloog J.W.B. Moll. Deze heeft via een summier schijven van 1 augustus 2005 op de vraagstelling gereageerd. Deze beantwoording door de neuroloog Moll vormde voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om de in de FML opgenomen beperkingen van appellant te herzien. In haar rapport van 17 augustus 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts nog een nadere toelichting gegeven op de mogelijkheden van appellant tot het gebruik van handen en vingers en op het niet aannemen van een duurbeperking. De bezwaararbeidsdeskundige

B.H.M. Bootsma heeft in zijn rapport van 28 september 2005 de belasting van de geselecteerde functies nog toegelicht. Op grond van deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2005 (het in dit geding bestreden besluit) de bezwaren van appellant tegen het besluit van 27 januari 2004 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2005 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat het bestreden besluit nog steeds niet is gebaseerd op voldoende informatie van zijn behandelend neuroloog. Appellant wijst op het krachtsverlies met trillingen in zijn handen en benen en op zijn vermoeidheidsklachten. In 2001 was er volgens appellant sprake van een toename van de uitvalsverschijnselen en in de jaren na 2001 is er alleen maar sprake geweest van een geleidelijke progressie van dat beeld. Appellant heeft in hoger beroep een nader schrijven van de hem behandelende neuroloog Moll overgelegd. Deze schrijft onder meer:

“…. Verder kan ik u verklaren dat er bij patiënt sprake is, ook in de periode 2002, van een demyelisatiehaard op niveau C4-C5 cervicaal waar de handfunctie met name ook gelokaliseerd is. Het is dus zeer waarschijnlijk dat zijn handfunctie in die periode al beperkt was.(…)

Verder vond ik nog gegevens uit 1999 waarin ook de myelumlaesie op C3-C4, C4-C5 werd geobjectiveerd en ook op de MRI hersenen reeds een aantal hyperintense laesies werden gezien met tevens een verhoogde lgG index. Dit betekent dat er ook toen al sprake was van actieve MS en een zekere functiebeperking van de armen en overige extremiteiten, gezien de aantasting van de piramidebanen, door de C3-C4 laesie. Ook toen is reeds gesteld dat patiënt een overbelastende activiteit moet vermijden.

In 2001 is er nogmaals schrijven van collega Westerink, neurologe, waar patiënt toen onder controle was, waarbij er een toename was van de uitval, met name ook van het rechterbeen. Een toen uitgevoerd neurologisch onderzoek laat een bilateraal piramidebaan syndroom zien van zowel armen als benen. Dit houdt in dat de aansturing van armen en benen gestoord is. In de daarop volgende jaren is er eigenlijk alleen maar sprake van geleidelijke progressie van het beeld en ondanks de modernere behandeling van Mixantrone is de progressie niet geheel tot stand gekomen.(…)

Ik denk wel dat het zeker niet mogelijk is geweest om dit gedurende 8 uren per dag, dag in dag uit te doen en dat er duidelijk een functiebeperking van de armen heeft bestaan in die tijd.”

In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat appellant nooit eerder dan in 2004 heeft aangegeven dat hij handklachten heeft en dat de aanname van Moll dat deze ook in 2002 bestonden speculatief is. Ook de MRI uit 1999 biedt een onvoldoende basis om handbeperkingen eind 2002 aan te nemen.

De Raad oordeelt als volgt.

De (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv hebben per 29 november 2002 een aantal beperkingen voor appellant geformuleerd. Deze zijn opgenomen in de FML van 2 september 2003. Met deze beperkingen wordt appellant in staat geacht de functies productiemedewerker industrie (SBC code 111180), sorteerder (111340), productiemedewerker confectie (272042) en inpakker (111190) uit te oefenen. Appellant lijdt aan de progressieve ziekte MS en in verband met vanaf

1 oktober 2004 toegenomen beperkingen, die zijn opgenomen in een FML van 7 februari 2005, ontvangt hij vanaf 29 oktober 2004 een volledige WAZ-uitkering. Partijen verschillen vooral van mening over de vraag of zijn beperkingen per 29 november 2002 niet te licht zijn vastgesteld. Appellant meent dat de beperkingen die samenhangen met zijn hand- en vingervaardigheid en met zijn beenklachten zijn onderschat en dat het Uwv een zogenoemde duurbeperking had moeten opnemen.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts De Cler in de FML van 7 februari 2005 aanmerkelijk meer en zwaardere beperkingen heeft opgenomen dan in de FML van 2 februari 2003. Deze hebben betrekking op aspecten die verband houden met het gebruik van armen, handen en vingers, en aspecten die verband houden met duwen, tillen, staan, lopen, knielen en klimmen. Bovendien wordt appellant in eerstgenoemde FML ook maximaal in staat geacht 6 uur per dag en 30 uur per week te werken. Voor appellant zijn per de datum in geding voor het gebruik van armen, handen en vingers en voor wat betreft de arbeidsduur in het geheel geen beperkingen opgenomen. Niet ter discussie staat dat appellant al vanaf 1999 lijdt aan de gevolgen van MS, welke ziekte een progressief karakter heeft. De neuroloog Moll, bij wie appellant overigens pas ruim na de datum in geding onder behandeling is gekomen, heeft in zijn voren geciteerde brief van 4 augustus 2008, retrospectief oordelend, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat het waarschijnlijk is dat appellant ook eind 2002 al te maken had met beperkingen aan zijn handen en benen. Hij heeft dit standpunt gemotiveerd door te wijzen op onderzoeksrapporten van de neuroloog

M. Westerink, bij wie appellant destijds onder behandeling was en welke informatie zich ook onder de gedingstukken bevindt. Steun voor dit standpunt is naar het oordeel van de Raad, naast de brieven van de neuroloog Westerink, bovendien te vinden in het rapport d.d. 14 maart 2002 van de verzekeringsarts De Cler, die daarin noteert dat appellant af en toe last heeft van beven van de armen en in zijn rapport van 2 september 2003 waarin melding wordt gemaakt van zwabberig lopen en van licht clonische trekkingen van armen en benen. Zowel in de brieven van Westerink als in de rapporten van De Cler worden ook de vermoeidheidsklachten steeds genoemd. Hoewel de Raad met de bezwaarverzekeringsarts Van der Geest beseft dat het op basis van deze gegevens enigermate speculatief is om ook per 29 november 2002 reeds beperkingen voor hand-, vinger- en armgebruik en voor de arbeidsduur op te nemen, acht de Raad gezien het progressieve ziektebeeld van appellant, ook blijkend uit de aanmerkelijke toename van zijn beperkingen per 1 oktober 2004, en gelet op het uitvoerig onderbouwde standpunt van de neuroloog Moll, het uitgangspunt dat appellant per 29 november 2002 in het geheel geen hand-, vinger-, armbeperkingen heeft en geen duurbeperking, onvoldoende door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad kan daaraan onvoldoende afdoen dat de handklachten van appellant pas tijdens de hoorzitting op 12 mei 2004 voor het eerst echt prominent aan het licht zijn gekomen, omdat deze in een mogelijk wat lichtere vorm gelet op de rapporten van De Cler ook al eerder enige beperkingen met zich mee hebben kunnen brengen en niet is uit te sluiten dat appellant zelf de ernst van zijn armklachten enige tijd kan hebben onderschat. Ook tijdens de hoorzitting heeft hij de klachten niet zelf gemeld, maar zijn ze door observatie van de bezwaarverzekeringsarts aan het licht gekomen. Aangezien de aan appellant voorgehouden functies alle in enige mate arm- en/of handbelastend zijn, betekent het opnemen of verzwaren van arm- en/of handbeperkingen dat de schatting mogelijk niet op de geschiktheid van appellant voor die functies kan worden gebaseerd.

Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op de bezwaren van appellante te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 oktober 2005;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1288,-- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB