Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
06-2182 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Nadere motivering in beroep voor de geschiktheid van de geduide functies en het bestreden besluit vóór 1 juli 2005. Rechtbank had het besluit moeten vernietigen en de rechtsgevolgen in stand moeten laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2182 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 maart 2006, 05/66 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nog enkele stukken in geding gebracht.

Appellante heeft bij brieven van 18 april 2007 en 30 januari 2008 stukken in geding gebracht, waaronder een rapportage van psycholoog J. Korteweg. Hierop is door het Uwv onder verwijzing naar een op 8 februari 2008 gedateerde rapportage van bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008, waar appellante en haar gemachtigde, met berichtgeving, niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als medewerkster financiële administratie voor 36 uur per week toen zij op 18 december 2002 uitviel met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 17 december 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante beschikte naar het oordeel van de verzekeringsarts van het Uwv niet over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid wegens een opname in het psychiatrisch ziekenhuis Emergis.

Appellante is op 15 juli 2004 in het kader van een herbeoordeling onderzocht door verzekeringsarts M. Herweijer. Herweijer constateerde dat de belastbaarheid van appellante fors verbeterd was, dat er ten tijde van haar onderzoek geen sprake was van ziekte, maar dat appellante wel verhoogd kwetsbaar was voor nieuwe decompensatie op grond van haar persoonlijkheid. Appellante kon naar het oordeel van Herweijer de functionele mogelijkheden zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juli 2004 duurzaam benutten.

De arbeidsdeskundige R. Goetheer stelde na functieduiding vast dat het verlies aan verdienvermogen van appellante berekend diende te worden op 28,20%. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 1 september 2004 de WAO-uitkering van appellante herzien per 4 oktober 2004 naar de klasse van 25 tot 35%.

In hetgeen in bezwaar is gesteld heeft de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz geen aanleiding gezien af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. Het bezwaar van appellante is bij besluit op bezwaar van 24 december 2004 - hierna: het bestreden besluit - door het Uwv ongegrond verkaard.

De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater B.J. van Eyk te raadplegen voor een deskundigenonderzoek.

In zijn rapportage van 6 oktober 2005 concludeerde Van Eyk dat er bij appellante op 4 oktober 2004 sprake was van beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, maar dat deze beperkingen meer voortkwamen uit haar persoonlijkheid en niet vanuit een ziekte of gebrek. Van Eyk stemde in met de belastbaarheid van appellante zoals vastgesteld door de verzekeringsarts Herweijer in de FML. Verder achtte Van Eyk het eigen werk van appellante en de aan appellante voorgehouden functies passend. Wel merkte de psychiater op dat appellante vanwege haar persoonlijkheidsstructuur en de forse kwetsbaarheid die zij toont voor situaties die door haar als onveilig worden ervaren, meer begeleiding nodig heeft dan een doorsnee medewerkster. Dit is volgens van Eyk meer een arbeidskundig dan een psychiatrisch probleem.

Onder verwijzing naar een op 24 mei 2005 gedateerde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom is door het Uwv in beroep een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies.

De rechtbank heeft Van Eyk gevolgd in zijn advies en heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het deskundigenoordeel van psychiater Van Eyk. Appellante heeft in hoger beroep onder verwijzing naar een rapportage van psycholoog J. Korteweg gesteld dat haar beperkingen wel degelijk een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek zijn. Op grond van het op 20 en 29 november 2007 verrichte onderzoek concludeerde Korteweg in een brief van 28 januari 2008 dat appellante aan een autisme spectrum stoornis en een leerstoornis lijdt. Korteweg tekende nog wel aan dat verdere verfijning van de diagnostiek zal plaatsvinden. De hieruit voor appellante voortvloeiende beperkingen zijn naar het oordeel van appellante zodanig dat zij niet in staat moet worden geacht fulltime arbeid te verrichten en arbeid te verrichten op de reguliere arbeidsmarkt. Appellante ziet zich in haar visie gesteund door een besluit van het CWI waarbij besloten is appellante een WSW indicatie te geven en waarin geoordeeld is dat appellante niet in aanmerking komt voor begeleid werken bij een regulier bedrijf. Appellante heeft tot slot gesteld dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing mist.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv zijn miskend.

De medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op het verzekeringsgeneeskundige oordeel dat appellante ten tijde in geding beperkingen ondervond in het persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat zij de voor haar in de FML vastgestelde belastbaarheid duurzaam kon aanwenden voor arbeid. De door de rechtbank geraadpleegde psychiater Van Eyk achtte dit standpunt juist. Appellante is blijkens de FML aangewezen op werkzaamheden die voorspelbaar zijn, waarin geen sprake is van veelvuldige storingen en onderbrekingen en waarin geen sprake is van veelvuldige deadlines of productiepieken. Verder is appellante sterk beperkt geacht voor het omgaan met conflicten.

De Raad heeft in hetgeen namens appellante, onder meer in de rapportage van Korteweg, is aangevoerd geen aanwijzingen gevonden dat de belastbaarheid van appellante zoals vastgesteld in de FML onjuist zou zijn of dat het deskundigenoordeel van Van Eyk onjuist zou zijn. De Raad overweegt in dit verband dat Van Eyk en Korteweg blijkens hun rapportages niet zozeer van mening verschillen ten aanzien van de voor appellante geldende beperkingen, maar wel over de vraag of appellante duurzaam benutbare mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid en over de vraag aan welke diagnose deze beperkingen zijn toe te schrijven. De Raad merkt echter op dat voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid de beperkingen van belang zijn en niet of de beperkingen zijn toe te schrijven aan een autisme spectrum stoornis of aan een persoonlijkheidsstoornis. De Raad heeft uit de gedingstukken voorts niet kunnen afleiden dat het appellante aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbrak en dat appellante niet fulltime kon werken. Appellante was ten tijde in geding niet langer opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis Emergis en zij slaagde er blijkens de gedingstukken in om (met enige steun) zelfstandig te wonen en haar huishouden te runnen. Appellante had verder een gevuld dagverhaal.

De Raad ziet tot slot geen aanleiding appellante te volgen in haar grief dat zij (op medische gronden) ongeschikt te achten is voor arbeid op de reguliere arbeidsmarkt. De Raad overweegt in dit verband dat in voornoemd besluit van het CWI slechts summier gemotiveerd wordt waarom appellante niet in aanmerking komt voor begeleid werken bij een regulier bedrijf, waarbij de Raad nog opmerkt dat de onderliggende rapportages ontbreken. De Raad stelt vast dat appellante jarenlang met haar beperkingen in het reguliere bedrijf heeft kunnen werken en dat ook de door de rechtbank geraadpleegde psychiater Van Eyk het meer als een arbeidskundig dan een medisch probleem zag dat appellante in verband met haar kwetsbaarheid meer begeleiding nodig heeft.

De Raad is niet gebleken dat de appellante voorgehouden functies voor haar, gezien de voor haar geldende beperkingen, niet geschikt zouden zijn. Nu het Uwv eerst in beroep bij rapportage van 24 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Blom een deugdelijke toelichting en motivering gegeven heeft voor de geschiktheid van de geduide functies en het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen, had de rechtbank gelet op ’s-Raads oordeel met betrekking tot het CBBS het bestreden besluit dienen te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG