Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
03-3129 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het terug te vorderen bedrag is in hoger. Reformatio in peius: rechtsgevolgens blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/3129 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], hierna: appellante, wonende te Marokko, als erfgename van [betrokkene], hierna: betrokkene,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2003, 02/3174 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft van verweer gediend.

Bij brief van 18 oktober 2007 heeft appellante de Raad bericht dat betrokkene op 12 oktober 2007 is overleden. De Raad heeft uit dit schrijven (tevens) afgeleid dat appellante als erfgename van betrokkene het geding wenst voort te zetten.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 november 2007. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

Bij brief van 22 november 2007 heeft de Raad aan partijen laten weten dat gebleken is dat het vooronderzoek niet volledig is geweest en dat op die grond het vooronderzoek is heropend. Aan het Uwv is een vraag voorgelegd. Aangegeven is verder dat in het dossier een aantal essentiële stukken ontbreekt. Verzocht is om die stukken alsnog in het geding te brengen.

Bij brief van 29 november 2007 heeft het Uwv de vraag van de Raad beantwoord en ook anderszins aan het verzoek van de Raad voldaan.

Bij brief van 11 januari 2008 heeft de Raad aan partijen verzocht om aan de Raad te laten weten of ermee wordt ingestemd dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan zonder dat behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden.

Bij brief van 15 januari 2008 heeft het Uwv die toestemming verleend en bij brief gedagtekend 29 januari 2008 heeft appellante die toestemming verleend.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak waarin betrokkene is aangemerkt als eiser en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze uitkering werd in het verleden aangevuld met een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 28 november 2000 heeft verweerder eiser, onder verwijzing naar de Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU), medegedeeld dat zijn toeslag in drie jaar zal worden afgebouwd; over 2001 ontvangt eiser nog slechts 2/3 van een volledige toeslag, over 2002 1/3 en vanaf 2003 ontvangt hij niets meer.

Bij brief van 25 januari 2002 heeft verweerder eiser, onder verwijzing naar voornoemd besluit, geïnformeerd omtrent het bedrag van zijn toeslag vanaf januari 2002. Verweerder heeft in die brief aangegeven dat als gevolg van een systeemfout geen afbouw heeft plaatsgevonden van de toeslag over de maand januari 2002. Verweerder heeft in zijn brief aangekondigd het als gevolg van een systeemfout teveel betaalde bedrag te zullen terugvorderen.

Bij besluit in primo van 15 maart 2002 heeft verweerder een bedrag van € 118,11 aan teveel betaalde uitkering over de maand januari 2002 teruggevorderd. Verweerder heeft aangegeven het bedrag te zullen verrekenen met de in mei 2002 uit te betalen vakantie-uitkering.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser voert in beroep aan dat hij recht heeft op de volledige toeslag wegens zijn arbeidsongeschiktheid en dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van zijn medische behandeling. Hij heeft ter onderbouwing verklaringen van medische behandelingen overgelegd.”

De rechtbank heeft vervolgens als volgt overwogen:

“Voorzover eiser bedoelt te betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten zijn toeslag af te bouwen wijst de rechtbank erop dat verweerder hieromtrent heeft besloten bij bovengenoemd besluit van 28 november 2000. Dit besluit staat in de onderhavige procedure niet ter discussie. Door zich over het afbouwen van eisers toeslag uit te laten zou de rechtbank treden buiten de grenzen van dit geding. Ook eisers verzoek de kosten van zijn medische behandeling te vergoeden gaat de grenzen van dit geding te buiten. In deze procedure kan het slechts gaan over de terugvordering van het over de maand januari 2002 teveel betaalde bedrag en de verrekening van dit bedrag met de vakantie-uitkering, want alleen daarop heeft het bestreden besluit betrekking. De rechtbank is van oordeel dat dit besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Met verweerders besluit van 28 november 2000, waartegen eiser niet is opgekomen, is in rechte komen vast te staan dat de toeslag van verweerder in drie jaar zou worden afgebouwd en dat het door hem te ontvangen bedrag met ingang van januari 2002 van 2/3 naar 1/3 van de volledige toeslag zou gaan. Desondanks heeft verweerder in de maand januari 2002 nog een bedrag ter hoogte van 2/3 van de volledige toeslag betaald. Verweerder was op grond van artikel 20, eerste lid van de TW verplicht het onverschuldigd betaalde terug te vorderen.

De rechtbank is van oordeel dat zich in het geval van eiser geen zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat verweerder gehouden zou moeten worden geacht op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het bestreden besluit neergelegde terugvordering. Blijkens de wetgeschiedenis kunnen zulke dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De omstandigheid dat door verweerder een fout is gemaakt kan op zichzelf geen dringende reden opleveren. De fout van verweerder is de oorzaak van de terugvordering en behoort niet tot de gevolgen die de terugvordering voor eiser heeft.

Uit verweerders besluit van 28 november 2000 had eiser genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat zijn toeslag met ingang van januari 2002 wederom met 1/3 zou worden verminderd. Eiser had derhalve kunnen begrijpen dat het, niet verder gekorte, bedrag dat hij in januari 2002 ontving niet juist was en er rekening mee moeten houden dat hij een deel daarvan terug zou moeten betalen. Zelfs echter indien eiser dit niet aanstonds had kunnen begrijpen, had hem dit in ieder geval na kennisneming van de brief van 25 januari 2002, dus reeds kort na ontvangst van het bedrag, duidelijk moeten zijn. Verweerder heeft besloten het teveel betaalde bedrag pas te verrekenen met de in mei uit te betalen vakantie-uitkering. Eiser heeft derhalve na ontvangst van de brief van 25 januari 2002 nog ruim drie maanden de tijd gekregen om zich in te stellen op de verrekening van het bedrag. Gegeven deze omstandigheden en gegeven het feit dat het hier gaat om een betrekkelijk gering bedrag heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten de teveel betaalde toeslag te verrekenen met de vakantie-uitkering.”

Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft betrokkene in essentie de eerder aangevoerde gronden herhaald.

Hangende de procedure in hoger beroep is betrokkene overleden. De Raad heeft vastgesteld dat appellante als erfgename van betrokkene de procedure wenst voort te zetten.

Ter zitting van de Raad van 1 november 2007 is aan de orde gesteld dat een aantal essentiële stukken in het dossier geen betrekking hebben op betrokkene. Daardoor ontbreekt in het dossier ondermeer een primair besluit, waarin de hoogte van het terug te vorderen bedrag is bepaald.

Na heropening van het vooronderzoek heeft het Uwv de ontbrekende stukken alsnog ingezonden. Daaruit blijkt dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag € 120,49 bedraagt.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad zal uit proceseconomische overwegingen nagaan of het bestreden besluit op inhoudelijke gronden stand kan houden.

In dat verband acht de Raad van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat door betrokkene geen bezwaar is aangetekend tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij is beslist over de gefaseerde afbouw van de toeslag in drie jaar. Tevens is niet in geschil dat betrokkenes toeslag eerst met ingang van 12 september 2003 is hersteld. Daarmee staat vast dat in de periode hier in geschil aan betrokkene onverschuldigd toeslag is betaald en dat het Uwv verplicht was om die toeslag terug te vorderen. Van dringende redenen om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Resteert het punt dat bij het bestreden besluit het bedrag dat wordt teruggevorderd is vastgesteld op € 118,11, terwijl het terug te vorderen bedrag in werkelijkheid € 120,49 bedroeg. Nu de Raad voor het Uwv geen ruimte ziet - gezien het verbod van reformatio in peius - om na vernietiging alsnog een bedrag van € 120,49 terug te vorderen, zal de Raad op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

RB0304