Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
06-6460 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Exploiteren van hennepkwekerij. Omvang van hennepkwekerij is zodanig dat deze niet alleen voor eigen gebruik was. Schending inlichtingenverplichting. Omvang geding.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17, geldigheid: 2008-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/173

Uitspraak

06/6460 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 september 2006, 05/611 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Postma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Volgens een ter zake opgemaakt proces-verbaal heeft de regiopolitie Groningen op 3 november 2004 in de woning van appellant een hennepkwekerij aangetroffen. Daarbij werden 34 planten alsmede apparatuur voor het opkweken van stekken en planten aangetroffen. Naar aanleiding van het ter beschikking gestelde proces-verbaal heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op basis van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in een rapport van 28 januari 2005, heeft het College bij besluit van 10 februari 2005 de bijstand van appellant over de periode van 29 april 2003 tot en met 2 november 2004 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.721,52 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 15 april 2005, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft hiertoe overwogen dat als gevolg van schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

15 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 15 april 2005 ten grondslag gelegde grond. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet hierin, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb volgens vaste rechtspraak van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

Vaststaat dat de politie op 3 november 2004 in de woning van appellant een hennepkwekerij heeft aangetroffen. Gelet op het aantal aangetroffen planten, de tegenover de sociale recherche door appellant op 30 november 2004 afgelegde verklaring dat hij ook wel eens 50 of 60 planten had staan, de omvang van de aangetroffen apparatuur en het in de periode in geding aanzienlijk verhoogde gas- en elektriciteitsverbruik, deelt de Raad niet de opvatting van appellant dat hij alleen voor eigen gebruik kweekte, aangezien uit een rapportage van het Gerechtelijke laboratorium te Rijswijk blijkt dat bij ongeveer 5 planten geen sprake meer kan zijn van eigen gebruik. Ook in het geval dat appellant, zoals hij stelt, een grootverbruiker zou zijn, acht de Raad het onaannemelijk dat de gehele opbrengst van de kwekerij voor eigen gebruik is aangewend. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant eveneens heeft verklaard wel eens wat van de oogst te verkopen.

Appellant heeft aangevoerd dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is omdat hij bij meerdere gelegenheden heeft gemeld dat hij hennep kweekte. In dat verband heeft hij onder meer gewezen op gesprekken met de heer Van der Worp, hoofd sociale zaken van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, en mevrouw Koenders van de afdeling Sociale Zaken. Verder heeft hij gewezen op een verslag van een gesprek op 6 april 2004 in het kader van het opstellen van een re-integratieadvies. De Raad verwerpt deze grief. Naast het feit dat de melding aan mevrouw Koenders niet met verifieerbare gegevens is onderbouwd, blijkt noch uit het re-integratieadvies van 6 april 2004, noch uit de verklaring van F. Jongsma van 21 december 2005, die bij het gesprek met de heer Van der Worp en appellant aanwezig was, dat appellant melding heeft gemaakt van een kwekerij (met een omvang) zoals aangetroffen op 3 november 2004. Bovendien brengt de enkele omstandigheid dat het College uit het re-integratieadvies dan wel op grond van het gesprek met de heer Van der Worp had kunnen afleiden dat appellant hennep kweekte, niet mee dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake meer is. De Raad merkt in dit verband op dat het College met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de wet moet kunnen afgaan op de juistheid van de op de maandelijkse inkomstenformulieren vermelde gegevens. Op deze formulieren heeft appellant op geen enkele wijze melding gemaakt van het in bedrijf hebben van een hennepkwekerij.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellant het exploiteren van deze kwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet heeft gemeld en aldus de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de met de werkzaamheden en de hennepkwekerij verworven inkomsten ontbreken, kan niet meer worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant in bedoelde periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant over de periode van 29 april 2003 tot en met 2 november 2004 verleende bijstand in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Blijkens de beleidsregels wordt de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand teruggevorderd, tenzij sprake is van (zeer) dringende redenen, de vordering vervallen is of verjaard, de gemeente niet voortvarend heeft gehandeld of belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt en redelijkerwijs niet kon weten dat er te veel of ten onrechte bijstand is verstrekt. De Raad is van oordeel dat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. De Raad stelt vast dat het College in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering van bijstand gehanteerde beleidsregels heeft gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van deze beleidsregels had moeten afwijken.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als Griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

AR120308