Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
07-3701 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling gedifferentieerde premie WAO. Vertrouwensbeginsel. Rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 150

Uitspraak

07/3701 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [Vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 mei 2007, 06-5550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.Th. Busker, werkzaam bij de Centrale Branchevereniging Wonen te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad nadere stukken doen toekomen.

Namens appellante is gereageerd op het verweerschrift en zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Voor appellante zijn verschenen haar directeur H. [K.] en mr. Busker, voornoemd. Zoals aangekondigd, heeft het Uwv zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.

Appellante, opgericht op 15 november 2002, is een houdster- en beheermaatschappij, detailhandel in roerende zaken, met name meubelen. Enig statutair bestuurder is H. [K.].

Op 29 november 2002 is het faillissement uitgesproken over [B.V. 1], [B.V. 2], [B.V. 3], [B.V. 4], [B.V. 5], [B.V. 6] en [B.V. 7]

H. [K.] was statutair bestuurder van [B.V. 1], en - al dan niet gezamenlijk met [B.V. 8]. - eveneens statutair bestuurder van de overige genoemde vennootschappen. Naar aanleiding van de aanmelding bij het Uwv van appellante als werkgever heeft een buitendienstmedewerker van het Uwv gesproken met H. [K.] (in de functie van mededirecteur van appellante). In het rapport van 26 januari 2003 heeft de buitendienstmedewerker vermeld dat door appellante een deel van de bedrijfsactiviteiten van [B.V. 3] is voortgezet, maar dat van enige overname geen sprake is. Verder vermeldt de buitendienstmedewerker dat door appellante dezelfde activiteiten (verkoop van meubelen, woningtextiel en woonaccessoires) worden uitgevoerd, als voorheen door [B.V. 3] gebeurde.

Het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat appellante een startende ondernemer is en de gedifferentieerde premie voor de jaren vanaf 2002 daarop gebaseerd.

De premiepercentages zijn vastgesteld op 1,24 voor het premiejaar 2002, 2,38 voor 2003, 2,97 voor 2004 en -0,08 voor 2005.

Namens appellante heeft H. [K.] bij brief van 4 juli 2005 het Uwv verzocht om haar met terugwerkende kracht aan te merken als grote werkgever. In deze brief is uiteengezet dat na het faillissement van [B.V. 1] en de aan deze vennootschap gelieerde vennootschappen ([naam Groep]), de curator in de faillissementen de vestigingen heeft doorverkocht aan de inkoopcombinatie [naam inkoopcombinatie], die op haar beurt de vestigingen heeft doorverkocht. Een aantal vestigingen heeft appellante overgenomen. Tevens is een gedeelte van het personeel bij haar in dienst getreden.

Bij vier besluiten van 26 september 2005 heeft het Uwv dit verzoek gehonoreerd en de gedifferentieerde premie voor de jaren 2002 tot en met 2005 vastgesteld op onderscheidenlijk 1,93%, 2,72%, 2,56% en 1,92%. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat er sprake is geweest van een gedeeltelijke overname van onderneming.

Bij besluit van 19 mei 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 26 september 2006 gegrond verklaard. Tevens heeft het Uwv bij dit besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 december 2005, waarbij de gedifferentieerde premie voor 2006 is vastgesteld (1,08%), gegrond verklaard. De gedifferentieerde premie voor de jaren 2002 tot en met 2006 heeft het Uwv hierbij nader vastgesteld op onderscheidenlijk 1,75%, 2,52%, 2,23%, 1,65% en 0,98%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 19 mei 2006 ongegrond verklaard.

Bij haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv er terecht vanuit is gegaan dat in het geval van appellante sprake is geweest van overgang van onderneming. Het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank niet gehonoreerd. Nu op basis van de door appellante in 2005 verstrekte informatie omtrent de gang van zaken na faillissement van de [naam Groep], het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er sprake is geweest van overgang van onderneming, diende het Uwv op grond van artikel 11, derde lid, van de Co├Ârdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) de premie opnieuw vast te stellen. Evenmin heeft de rechtbank appellante gevolgd in haar standpunt dat er sprake is van strijd met het verbod van willekeur/gelijkheidsbeginsel, nu niet is gebleken dat door de voormalige uitvoeringsinstelling Cadans een andere praktijk bestond met betrekking tot het berekenen van de gedifferentieerde premie bij overgang van onderneming na faillissement. Gelet op het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de CSV heeft de rechtbank appellante ook niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv haar verzoek niet had mogen benutten om tot voor haar minder gunstige besluiten te komen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op het verhandelde te zijner zitting stelt de Raad allereerst vast dat in hoger beroep niet meer in geschil is dat er sprake is geweest van een gedeeltelijke overname van onderneming. Ook de wijze waarop de loonsommen en de arbeidsongeschiktheidslasten van de [naam Groep] aan appellante zijn toegerekend, is niet in geschil.

De Raad overweegt voorts dat de gehoudenheid van het Uwv om de gedifferentieerde premie op een juiste wijze vast te stellen - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet voortvloeit uit het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de CSV, maar uit het daaromtrent dwingendrechtelijke bepaalde in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het Besluit premiedifferentiatie WAO.

Met betrekking tot de grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte de in 2005 verstrekte informatie als een nieuw feit heeft gezien omdat bij haar aanmelding al bekend was dat er sprake was van een gedeeltelijke doorstart na faillissement, overweegt de Raad dat ook al moet worden aangenomen dat het Uwv dit bij de aanmelding had moeten onderkennen, zulks nog niet betekent dat het Uwv niet bevoegd was ten nadele van appellante terug te komen van de eerdere vaststellingen van de gedifferentieerde premie. Een bestuursorgaan kan in het algemeen niet de bevoegdheid worden ontzegd om van eerdere besluitvorming terug te komen, ook al is dit ten nadele van betrokkene. Bij dit laatste dient wel acht te worden geslagen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Van een schending van deze beginselen is te dezen geen sprake, nu appellante zelf heeft verzocht om herziening van de eerdere besluiten, waarbij de voor haar geldende gedifferentieerde premie is vastgesteld. Van enige toezegging van de kant van het Uwv dat haar verzoek niet zal leiden tot een voor haar ongunstiger resultaat is niet gebleken.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat het Uwv in de branche waarin zij werkzaam is, in gevallen van een doorstart na faillissement altijd uitging van een startende werkgever, overweegt de Raad dat uit de stukken die zij ter onderbouwing van haar stelling heeft overgelegd blijkt dat, voorzover deze stelling al juist is, het daarbij ging om een startende kleine werkgever. Ook appellante is aanvankelijk als een startende kleine werkgever aangemerkt. Nu appellante zelf heeft verzocht om herziening van de eerdere vaststellingen van de gedifferentieerde premie en het Uwv gehouden is zodanig verzoek in overeenstemming met het daaromtrent dwingendrechtelijk bepaalde te beoordelen, vermag de Raad niet in te zien waarom het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarvan zou eerst sprake kunnen zijn, indien het Uwv verzoeken als door appellante in 2005 is gedaan, in strijd met de wet pleegt te beoordelen. Gesteld, noch gebleken is dat hiervan sprake is.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

RB