Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
06-6467 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Dient ontslagvergoeding ontvangen van werkgever om te voorzien in noodzakelijke kosten van bestaan voor de periode na beëindiging arbeidsovereenkomst? Bruto terugvordering redelijk?

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/172

Uitspraak

06/6467 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]t),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 oktober 2006, 06/73 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.Th. Kostwinder, advocaat te Coevorden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 februari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is op 19 april 2002 op staande voet ontslagen door zijn toenmalige wer[werkgeefster]efster [werkgeefs[werkgeefster]]. Sedert die datum ontvangt hij een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellant heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen en in rechte doorbetaling van zijn loon gevorderd. De kantonrechter te Emmen heeft geoordeeld dat [werkgeefster] appellant terecht op staande voet heeft ontslagen en heeft de loonvordering afgewezen. Appellant heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Op 21 december 2004 zijn appellant en [werkgeefster] overeengekomen dat [werkgeefster] ter beëindiging van het geschil en de procedure in hoger beroep vóór 15 januari 2005 een bedrag van € 12.500,-- bruto aan appellant voldoet. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft [werkgeefster] in januari 2005 een bedrag van € 8.200,-- netto aan appellant betaald. Hierin heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 23 juni 2005 de bijstand van appellant over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.340,81 (bruto) van appellant terug te vorderen. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de door appellant van [werkgeefster] ontvangen vergoeding moet worden aangemerkt als inkomsten die betrekking hebben op de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002.

Bij besluit van 7 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat bijstand in beginsel wordt verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomen verwerft. In artikel 32, eerste lid, van de WWB is omschreven wat onder inkomen moet worden verstaan. Het betreft hier onder meer inkomsten uit of in verband met arbeid dan wel naar hun aard daarmee overeenkomende inkomsten of uitkeringen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat indien een vergoeding wordt ontvangen als waarvan hier sprake is, deze dient te worden beschouwd als inkomsten bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken. Anders dan appellant stelt, brengt het enkele tijdsverloop tussen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 19 april 2002 en de uitbetaling van de vergoeding aan appellant in januari 2005 niet mee dat de betreffende vergoeding niet meer kan worden beschouwd als inkomsten bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ook de omstandigheid dat appellant in rechte doorbetaling van zijn loon heeft gevorderd en dat appellant en [werkgeefster] in december 2004 de vergoeding zijn overeengekomen om aan het tussen hen bestaande geschil en aan de procedure in hoger beroep een einde te maken, staat daar niet aan in de weg.

De in januari 2005 door appellant ontvangen vergoeding moet worden toegerekend aan de periode waarop deze geacht kan worden betrekking te hebben. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College de inkomsten terecht heeft toegerekend aan de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002. De Raad hecht in dit verband betekenis aan de tot de gedingstukken behorende brief van 7 april 2004 van mr. F. Siegers die in het kader van de loonvorderingsprocedure als advocaat aan appellant was toegevoegd en waarin tot uitdrukking komt dat de vergoeding op genoemde periode betrekking had.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet de in januari 2005 ontvangen vergoeding worden beschouwd als inkomen over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002. Gezien de hoogte van dat inkomen had appellant gedurende die periode geen recht op bijstand, zodat aan hem ten onrechte bijstand is verleend. Het College was op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van deze beleidsregels had moeten afwijken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College in beginsel bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002.

De Raad is echter, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 november 2006, LJN AZ3437, van oordeel dat het College in het geval van appellant bij de afweging van de rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering, zodat sprake is van strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daartoe is allereerst van belang dat niet is gebleken dat ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van een schending van de wettelijke inlichtingenverplichting, zodat appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de vordering van het College. Voorts kan appellant er geen verwijt van worden gemaakt dat de vordering van het College niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft (in dit geval 2002), is voldaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 december 2005 vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 23 juni 2005 te herroepen ter zake van de terugvordering en te bepalen dat van appellant over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002 een bedrag van (netto) € 5.956,80 wordt teruggevorderd.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 december 2005 voor zover dat ziet op de terugvordering;

Herroept het besluit van 23 juni 2006 voor zover dat ziet op de terugvordering en bepaalt dat van appellant over de periode van 19 april 2002 tot en met 31 december 2002 een bedrag wordt teruggevorderd van € 5.956,80;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Coevorden;

Bepaalt dat de gemeente Coevorden aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en

J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

IJ190308