Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
06-3552 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAJONG-uitkering. Terugvordering. Onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom op de inkomsten uit arbeid niet het bedrag aan elektriciteitskosten in mindering is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3552 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 mei 2006, 05/2700

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 februari 2008. Voor appellante is verschenen mr. J. Eerbeek, kantoorgenoot van mr. Bouwman. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante is met ingang van 8 september 1998 een uikering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Naar aanleiding van een op 18 augustus 2004 bij het Uwv binnengekomen anonieme tip dat appellante een wietplantage zou hebben gehad waaruit zij € 30.000,-- aan inkomsten zou hebben genoten is door de afdeling Fraude Preventie en Opsporing van het Uwv een onderzoek ingesteld.

Op 25 februari 2005 is door deze afdeling een Rapport Werknemersfraude uitgebracht. Hierin wordt geconcludeerd dat appellante

- door de rechtbank te Utrecht is veroordeeld voor het feit dat zij gedurende de periode

1 april 2003 tot en met 27 oktober 2003 een hennepkwekerij heeft gehad en daaruit inkomsten, te weten een bedrag van € 10.719,90 heeft genoten;

- in het kader van deze hennepkwekerij werkzaamheden heeft verricht, namelijk het geven van water aan de plantjes;

- deze werkzaamheden noch de daaruit voortvloeiende inkomsten heeft gemeld aan het Uwv;

- hierdoor niet heeft voldaan aan de informatieplicht, als bedoeld in artikel 62 van de Wajong.

Door het verzwijgen van bedoelde inkomsten heeft het Uwv over de periode 1 april 2003 tot en met 27 oktober 2003 ten onrechte uitkering aan appellante betaald.

In overeenstemming met de op 25 april 2005 door de arbeidsdeskundige J.W. Wieske uitgebrachte rapporten heeft het Uwv:

- bij besluit van 27 april 2005 bepaald dat, zolang niet vaststaat dat de door appellante verrichte arbeid leidt tot herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, appellante blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer, doch dat de uitkering over de periode 1 april 2003 tot 27 oktober 2003, niet tot uitbetaling komt (hierna: het kortingsbesluit);

- bij besluit van 29 april 2005 de over de periode 1 april 2003 tot en met 26 oktober 2003 onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering ten bedrage van € 5.694,81 teruggevorderd (hierna: het terugvorderingsbesluit).

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het Uwv appellante een boete van € 572,-- opgelegd in verband met het overtreden van de mededelingsverplichting (hierna: het boetebesluit).

Deze besluiten zijn bij een drietal besluiten op bezwaar van 16 augustus 2005

(hierna: bestreden besluiten) gehandhaafd.

De door appellante daartegen ingestelde beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak - zoals het dictum daarvan naar zijn kennelijke bedoeling moet worden begrepen - ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft voorop gesteld dat de gedingstukken naar haar oordeel voldoende grond bieden voor de door het Uwv aan het kortingsbesluit ten grondslag gelegde aannames dat appellante eigenaar was van de hennepkwekerij, daarin werkzaamheden verrichtte en daarmee inkomsten heeft gegenereerd. In lijn met de vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank aan de eerder tegenover de politie afgelegde verklaring van appellante meer gewicht toegekend dan aan haar (daarvan afwijkende) verklaring ten overstaan van de opsporingsambtenaar van het Uwv. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat appellante haar in het kader van het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring op geen enkele wijze heeft doen ondersteunen met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens. Voorts heeft de rechtbank genoegzaam aannemelijk geacht dat de hennepkwekerij sinds 1 april 2003 in bedrijf is geweest, waarbij zij doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de door (een medewerker van) Eneco Energie afgelegde verklaring in het kader van een aangifte bij de politie van diefstal c.q. verduistering van elektrische energie. Hierin is vastgesteld dat de op 27 oktober 2003 aanwezige hennepplanten ongeveer zeven weken oud waren en dat sprake is geweest van twee eerdere kweekperiodes van ieder minimaal tien weken. Uitgaande van een periode van één week tussen iedere kweek kan vastgesteld worden dat de hennepkwekerij ten minste 29 weken in bedrijf is geweest. Terugrekenend vanaf 27 oktober 2003 is daarmee volgens de rechtbank voldoende komen vast te staan dat appellante de uit deze hennepkwekerij voortvloeiende inkomsten sinds 1 april 2003 is gaan genieten.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de door appellante ontvangen inkomsten heeft kunnen vaststellen op € 10.719,90. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat dit bedrag is gebaseerd op het proces-verbaal inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 november 2003, waarbij is uitgegaan van één eerdere oogst. Deze berekening, waarbij ten voordele van appellante slechts is uitgegaan van één eerdere oogst en tevens rekening is gehouden met de door appellante gemaakte kosten, is de rechtbank niet onredelijk voorgekomen. Dat het Gerechtshof te Amsterdam in de ontnemingszaak heeft geoordeeld dat appellante uiteindelijk geen financieel voordeel heeft genoten, komt voor de procedure bij de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toe.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat appellante geacht moet worden over de periode 1 april 2003 tot 27 oktober 2003 uit haar hennepkwekerij een inkomen uit arbeid te hebben verworven ten bedrage van € 10.719,90 en dat het Uwv dan ook terecht heeft vastgesteld dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellante over die periode minder dan 25% is, zodat haar Wajong-uitkering gedurende die periode op nihil dient te worden gesteld.

Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante geen specifieke grieven heeft aangevoerd tegen de terugvordering en de opgelegde boete, zodat - nu op deze punten niet is gebleken van evidente onjuistheid - noch de terugvordering noch de boete nadere bespreking behoeven.

In hoger beroep heeft appellante ontkend eigenaar van de hennepkwekerij te zijn geweest, daarin te hebben gewerkt en inkomsten te hebben gegenereerd. Verder verwijst zij naar de beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 september 2005 waarin het door appellante wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 5.000,-- en waarin tevens is overwogen dat aannemelijk is dat appellante met dat door haar ontvangen bedrag een openstaande elektriciteitsrekening, voortvloeiende uit het hebben van een hennepkwekerij, heeft voldaan. Met betrekking tot de terugvordering is aangevoerd dat appellante niet over extra inkomsten heeft beschikt, nu zij het voordeel van € 5.000,-- heeft gebruikt om de elektriciteitsnota te betalen.

Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ter zitting is betoogd dat op basis van de aangifte van Eneco de inkomsten van appellante dienen te worden gesteld op € 15.839,20 (winst van twee eerdere oogsten à € 10.719,90 = € 21.439,80, waarvan dienen te worden afgetrokken de kosten van de derde kweek (€ 585,66 + € 273,48 = € 859,14) en de elektriciteitsnota van € 4.741,56). Met het bedrag aan inkomsten waarvan is uitgegaan in de bestreden besluitvorming, namelijk € 10.719,90, is appellante derhalve zeker niet benadeeld, aldus het Uwv.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de omvang van het geding in hoger beroep stelt de Raad vast dat de gronden zich uitsluitend richten tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het kortings- en het terugvorderingsbesluit, en niet tegen het boetebesluit.

De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de werkzaamheden van appellante ten behoeve van de hennepkwekerij en de daarmee door haar verworven inkomsten ten bedrage van € 10.719,90. Hierin ligt besloten dat de Raad niet volgt het ter zitting van de Raad door het Uwv gehouden betoog uitmondend in de conclusie dat appellante een bedrag aan inkomsten van € 21.439,80 heeft genoten.

De Raad stelt vast dat het Uwv zich bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van appellante als bedoeld in artikel 50 van de Wajong heeft gebaseerd op de gegevens zoals deze naar voren zijn gekomen uit de aangifte van Eneco en het proces-verbaal voordeelberekening.

In het proces-verbaal inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 november 2003 is het door appellante wederrechtelijk genoten voordeel geschat op € 10,719,90. Dit bedrag is de uitkomst van de opbrengst van één eerdere oogst onder aftrek van de kosten van de hennepplantjes.

De Raad stelt tevens vast dat in de aangifte van Eneco de schade wegens illegaal afgenomen elektriciteit is bepaald op € 4.741,56. Onweersproken is dat appellante dit schadebedrag heeft voldaan.

Uitgaande van deze gegevens is naar het oordeel van de Raad door het Uwv onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom op het bedrag aan inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 10.719,90 niet het bedrag aan elektriciteitskosten ten bedrage van € 4.741,56 in mindering is gebracht.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden kortings- en het terugvorderingsbesluit niet in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak, waarbij de beroepen ongegrond zijn verklaard, kan evenmin in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep alsmede op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 16 augustus 2005 inzake de korting en de terugvordering gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,-- voor in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante vergoedt het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 145,--.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB