Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
06-439 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering? Arbeidsongeschiktheid uit zelfde ziekte oorzaak. Toegenomen beperkingen? Voldoende onderbouwing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/439 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 december 2005, 05/5203 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 9 mei 2006 heeft het Uwv het verweer aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Namens appellante is daarbij mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.W.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1961, is na een lange periode van werkloosheid vanaf 30 juli 1997 via uitzendbureaus aan het werk gegaan als, onder meer, telefoniste. In die laatste werkzaamheden meldde zij zich in verband met onder meer rugklachten en psychische klachten ziek op 24 november 1997. De op die arbeidsongeschiktheid betrekking hebbende aanvraag om een uitkering in het kader van Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) heeft het Uwv met ingang van 23 november 1998 geweigerd onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedroeg. Bij uitspraak van heden in het hoger beroep van appellante in de zaak die bij de Raad is geadministreerd onder nummer 06/490, heeft de Raad zich kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank over die conclusie van het Uwv.

Appellante is op 18 september 2000 als koerier in dienst getreden van een transportonderneming. Op 5 juni 2003 heeft zij zich ziek gemeld in verband met rugklachten en psychische klachten. Appellante is op 14 juli 2004 onderzocht door een voor het Uwv werkzame arts. Op diens verzoek is op 29 juli 2004 een psychologisch onderzoek bij appellante verricht door J.W.G.M. van Soest, gezondheidszorgpsycholoog. Nadat het betreffende rapport was uitgebracht heeft de voor het Uwv werkzame arts appellante nog telefonisch gesproken. Een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige heeft vervolgens, mede gelet op de door appellante ondervonden beperkingen, de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald. Dat leidde tot het besluit van 15 december 2004 waarbij de WAO-uitkering per 3 juni 2004 werd geweigerd onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid na 52 weken van ziekte minder dan 15% bedroeg.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 16 juni 2005 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij wel het aanvankelijk ingenomen standpunt herzien, in zoverre dat het Uwv in het bestreden besluit thans tevens heeft beoordeeld in hoeverre appellante aanspraak zou kunnen maken op een uitkering op de grondslag van artikel 43a van de WAO. Het Uwv is wat dat betreft van mening dat de ziekmelding van appellant per 5 juni 2003 berust op dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere melding in 1997. Het Uwv is echter tevens van mening dat na de wachttijd van 4 weken, bedoeld in artikel 43a van de WAO, de medische beperkingen van appellante niet zijn toegenomen ten opzichte van de vastgestelde medische beperkingen in 1998. Het Uwv heeft voorts overwogen dat de medische belastbaarheid van appellante na de wachttijd van 52 weken eveneens juist was ingeschat en dat uitgaande daarvan appellante de geduide functies kan vervullen.

In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - gesteld dat zij meer beperkt is, dat ten aanzien van haar een urenbeperking had dienen te worden aangehouden en dat zij de haar geduide functies niet kan vervullen.

De Raad oordeelt als volgt.

Zoals het Uwv heeft onderkend, dient allereerst te worden beoordeeld in hoeverre appellante met succes een beroep kan doen op de toepassing van artikel 43a van de WAO. Niet in geschil is dat de melding van arbeidsongeschiktheid per 5 juni 2003 van appellante voortkomt uit dezelfde oorzaak als bedoeld in dit artikel. Derhalve dient de mate van arbeidsongeschiktheid 4 weken na 5 juni 2003 te worden bezien. De stelling van het Uwv dat er daarbij geen sprake is van een toename van de beperkingen, kan de Raad niet volgen. Uit het belastbaarheidspatroon dat van toepassing was op de beperkingen van appellante per 22 november 1998 blijkt immers dat appellante in staat werd geacht gedurende vrijwel de gehele werkdag 1 uur aaneengesloten te staan. Uit de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zoals die gold voor appellante,

4 weken na haar ziekmelding op 5 juni 2003, blijkt dat zij meer beperkt werd op dat onderdeel en dat staan licht beperkt werd geacht, tot ongeveer een half uur achtereen, en tijdens het werk gedurende ongeveer de helft van de werkdag. In dat opzicht is er derhalve sprake van een toename van de beperkingen. Voorts is niet duidelijk, en de gemachtigde van het Uwv heeft dat ter zitting ook niet kunnen verduidelijken, in hoeverre het torderen, waarop appellante in 1998 een beperking ondervond in die zin dat dit mogelijk was tot 150 keer per uur 60 graden, niet verder beperkt was nu zij volgens die FML de romp tenminste 45 graden kon draaien. Het bestreden besluit is in dat opzicht ten aanzien van de toepassing van artikel 43a van de WAO onvoldoende zorgvuldig onderbouwd en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Dit brengt mee dat eveneens niet vaststaat dat de weigering van de WAO-uitkering per 3 juni 2004 in stand kan blijven. Het Uwv zal derhalve met inachtneming van hetgeen hiervoor werd overwogen op het bezwaar van appellante dienen te beslissen. Voorts kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

Voor een veroordeling van het Uwv tot een vergoeding van de schade die door appellante in verband met de onjuiste besluitvorming is geleden, bestaat geen aanleiding nu immers niet vaststaat dat aan appellante een WAO-uitkering zou moeten worden toegekend.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke kosten worden begroot op € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Het verzoek om een kostenvergoeding in de bezwaarfase wordt afgewezen omdat immers nog niet vaststaat of het primaire besluit zal worden herroepen wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid. Het totaal van de kostenveroordeling bedraagt derhalve € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van € 37,- in beroep en € 103,- in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MH