Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
06-3747 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3747 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juni 2006, 05/1852 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop bij brief van

8 augustus 2006 gereageerd.

Het Uwv heeft op 10 augustus 2007, in aanvulling op het verweerschrift, een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens van 25 juli 2007 ingezonden.

Appellante heeft op 9 november 2007 om bespoediging van de afhandeling van haar zaak verzocht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008.

Appellante is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

De Raad heeft in het door appellante gedane verzoek om bespoediging als vermeld in rubriek I van deze uitspraak geen aanleiding gezien om, zoals haar reeds door de griffier op 19 en 30 november 2007 is meegedeeld, het onderhavige geding met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

De Raad overweegt ten aanzien van de inhoudelijke gronden van het hoger beroep het volgende.

Appellante was sinds 19 januari 1998 werkzaam als telefoniste en heeft zich op 12 februari 1998 voor dit werk ziek gemeld als gevolg van een infectie, waarbij nadien psychische klachten kwamen. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellante – na een eerdere weigering – bij besluit van 15 februari 1999 met ingang van 5 februari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op 28 april 2005 op het spreekuur van de verzekeringsarts C. Lelieveld verschenen. Blijkens het rapport van dezelfde datum vond in het najaar van 2003 behandeling door middel van operatie en nabestraling plaats voor een in september 2003 vastgesteld mammacarcinoom. Appellante gaf aan dat zij als gevolg van de bestralingen veel last heeft van kiespijn, dat zij recentelijk een tandheelkundige behandeling moest afbreken om financiële redenen, dat zij medicatie heeft voor hypertensie en dat nek-, schouder- en rugklachten, welke speelden bij eerdere beoordelingen, niet op de voorgrond staan. Bij het lichamelijk onderzoek stelde Lelieveld vast dat appellante een normale lichaamsbouw heeft en dat het bewegingspatroon ongestoord is. Lelieveld achtte ter preventie van klachten aan het bewegingsapparaat beperkingen ten aanzien van fysiek zware arbeid aannemelijk, maar zag geen aanleiding in verband met de kiespijnklachten beperkingen te stellen. Omdat de medische situatie van appellante in verband met de borstkanker na de behandeling in het najaar van 2003 inmiddels was gestabiliseerd, achtte Lelieveld het stellen van energetische beperkingen niet aangewezen. De bevindingen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst, waarna bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding het verlies aan verdienvermogen werd berekend op 3,33%. Vervolgens trok het Uwv bij besluit van 13 juli 2005 de WAO-uitkering van appellante in met ingang van 14 september 2005.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in een rapport van 7 oktober 2005 de beschikbare medische gegevens gewogen en geen aanleiding gezien af te wijken van het medisch oordeel van Lelieveld. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2005 bij zijn besluit van

19 oktober 2005 ongegrond.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef het vanwege het Uwv verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek en gaf aan dat, anders dan appellante heeft gesteld, uit het rapport van Lelieveld viel af te leiden dat wel degelijk een, zij het beperkt, lichamelijk onderzoek was verricht. Uit de in beroep door appellante overgelegde medische informatie van de behandelend sector is de rechtbank niet gebleken dat appellante ten tijde van de datum in geding meer beperkingen had dan het Uwv heeft aangenomen.

In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte bezwaren en argumenten in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat appellante van mening is dat het Uwv heeft miskend dat zij, gezien haar gezondheidssituatie op de datum in geding, als volledig arbeidsongeschikt had moeten worden beschouwd dan wel dat meer beperkingen hadden moeten worden vastgesteld dan het Uwv heeft aangenomen.

De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat, ook al valt met de rechtbank uit het rapport van Lelieveld af te leiden dat het lichamelijk onderzoek beperkt is geweest, dit nog niet zonder meer betekent dat het daarom onzorgvuldig is geweest. Voor zo’n oordeel is in het onderhavige geval te minder reden, nu uit het rapport van Lelieveld tevens blijkt dat bij haar onderzoek, zoals hiervoor weergegeven, de nek-, rug- en schouderklachten niet op voorgrond stonden. Voorts heeft ook de Raad uit de in beroep beschikbaar gekomen informatie van de behandelaars van appellante, waaronder met name een brief van de keel-, neus- en oorarts van 14 juli 2005, een brief van de radiotherapeut-oncoloog van 27 januari 2004 en het overzicht van de medische gegevens van appellante van 9 februari 2006, niet valt af te leiden dat appellante op de datum in geding ernstiger beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen, terwijl uit die informatie ook niet valt af te leiden dat de kaakklachten juist rond de datum in geding appellante in ernstige mate belemmerden.

Wat betreft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040), administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080) en receptionist, baliemedewerker (SBC-code 315150) overweegt de Raad dat in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van Meertens uitgebreid en genoegzaam is toegelicht waarom deze functies als voor appellante medisch geschikt kunnen worden beschouwd.

Hetgeen appellante overigens aan haar hoger beroep ten grondslag heeft gelegd, waaruit met name ongenoegen spreekt over de door haar als onjuist ervaren bejegening van de zijde van het Uwv, kan in deze procedure, welke ziet op de beoordeling van het recht van appellante ingevolge de WAO op de datum in geding, niet tot een ander oordeel leiden.

Uit al het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

RJB