Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
06-2820 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2820 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 april 2006, 05/2461 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld en bij brief van 15 juni 2006 nog een stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 11 en 21 februari 2008 heeft mr. M.A.W. Ketelaars, eveneens advocaat te Helmond, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008.

Namens appellante is mr. Ketelaars is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als verkoopster tapijten toen zij zich op 17 juni 2003 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van een aan haar linkerhand opgelopen snijwond. De verzekeringsarts A.M.M. Despiegelaere heeft appellante op 23 augustus 2004 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek is onder andere het onderzoek aan de handen van appellante en de verkregen informatie van de behandelend chirurg beschreven. Op basis hiervan heeft Despiegelaere in dit rapport uitvoerig de mogelijkheden en beperkingen van appellante in verband met de verwonding aan haar hand uiteengezet en de bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 augustus 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige L.C.M. Pennings blijkens een rapport van 20 september 2004 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 8,60%. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv bij besluit van

3 november 2004 aan appellante met ingang van 15 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

In de bezwaarprocedure is namens appellante overgelegd een rapport van 20 augustus 2004, dat is opgemaakt in het kader van de afhandeling van een claim van appellante op de bedrijfsongevallenverzekeraar. In dit rapport is vermeld dat volgens de medisch adviseur sprake was van een blijvende invaliditeit van 5% van het volledig verlies van de hand. De bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal wees in een rapport van 28 juni 2005 op de van de behandelend neuroloog verkregen informatie van 2 februari 2004, waarin deze neuroloog concludeerde dat de klachten van appellante niet congruent zijn aan de bevindingen bij onderzoek en dat EMG-onderzoek een normale geleiding van de nervus medianus en nervus ulnaris toonde. Admiraal concludeerde, mede gelet op de informatie van de neuroloog en in aanmerking genomen dat een beoordeling in het kader van een particuliere ongevallenverzekering volstrekt niet te vergelijken is met een beoordeling ingevolge de WAO, dat er geen twijfel is dat Despiegelaere een goed inzicht heeft gehad in de uit het handletsel voortvloeiende beperkingen. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2004 bij besluit van 30 juni 2005 ongegrond.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 30 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en daarbij ten aanzien van het in het rapport van de ongevallenverzekeraar vermelde functieverlies van de linkerhand overwogen niet in te zien dat dit in strijd zou zijn met de bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde beperkingen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overwoog de rechtbank dat in verband met de actualiseringsdatum van de functie benzinepomphouder de schatting uiteindelijk gebaseerd kon worden op de functies kassamedewerker (SBC-code 317030), sjouwer (SBC-code 111250) en de functie telefoniste, welke behoort tot de SBC-code 315120 zonder dat dit leidt tot een relevant verlies aan verdienvermogen. Wat betreft de gestelde overschrijding van de beslistermijn overwoog de rechtbank ten slotte dat de in artikel 87d van de WAO vermelde termijn van openbare orde is en overschrijding daarvan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leidt.

In hoger beroep zijn namens appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen bezwaren tegen de vaststelling van de voor appellante geldende beperkingen in essentie herhaald. Voorts is gewezen op uitspraken van de rechtbank Leeuwarden en Almelo, volgens welke de door het Uwv aangebrachte aanpassingen in het Claim beoordelings- en borgingssysteem(CBBS), vereist volgens de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4716), onvoldoende zijn om te voldoen aan de eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Verder is nog gewezen op de overschrijding van de in de bezwaarprocedure geldende beslistermijn. Ten slotte is nog een besluit van de Centrale organisatie Werk en inkomen (CWI) van 31 mei 2006 overgelegd waarin is bepaald dat appellante behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening.

De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien om wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt bieden voor het bestaan op de datum in geding van de ter zitting door de gemachtigde van appellante vermelde psychische klachten, waarvan deze gemachtigde overigens erkende ook zelf niet te weten wanneer deze klachten zijn ontstaan. In dit verband wijst de Raad er nog op dat Despiegelaere bij zijn onderzoek geen aanwijzingen voor evidente psychopathologie waarnam. Inzake de gestelde WSW-indicatie stelt de Raad in de eerste plaats vast dat deze dateert van ruim na de datum in geding, terwijl voorts het op die indicatie betrekking hebbende besluit geen enkele informatie bevat over het bijbehorend medisch onderzoek. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wijst de Raad erop dat het bestreden besluit dateert van voor 1 juli 2005 en dat naar het oordeel van de Raad reeds in het rapport van Pennings voldoende is toegelicht dat de geduide functies wat betreft belasting vallen binnen de voor appellante vastgestelde beperkingen aan haar niet dominante linkerhand. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank inzake de door de gemachtigde gestelde overschrijding van de beslistermijn in de bezwaarprocedure. De gemachtigde gaf ter zitting overigens desgevraagd aan dat deze grief in hoger beroep niet tevens ziet op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.