Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
07-4663 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is tweede besluit op goede gronden aangemerkt als wijziging van eerder besluit hangende beroep als bedoeld in art. 6:18, Awb. Bevoegdheid aanvraag buiten behandeling te laten wegens verstrekken van onvoldoende gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4663 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2007, 07/575 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 3 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2008. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 8 juli 2005 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend om overneming van de betalingsverplichtingen van zijn voormalige werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 28 juli 2005 heeft het Uwv met het oog op de beoordeling van de aanvraag aan appellant verzocht nadere gegevens (kopieën van zijn tewerkstellingsvergunning en legitimatiebewijs) over te leggen. Vervolgens is appellant bij brief van 9 augustus 2005 een nadere termijn gesteld (tot 18 augustus 2005) voor het aanvullen van de aanvraag. Het Uwv heeft appellant voorgehouden dat als hij de gevraagde gegevens niet verstrekt de aanvraag niet in behandeling genomen kan worden.

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het Uwv de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), buiten behandeling gelaten. Dat besluit berust op de overweging dat appellant ook binnen de laatste gestelde termijn de gegevens niet heeft verstrekt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, en heeft aangegeven dat hij het Uwv bij brief van 17 augustus 2005 reeds heeft bericht dat hij niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning. Appellant betoogt overigens dat een tewerkstellingsvergunning ook niet is vereist bij overneming van betalingsverplichtingen.

Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat hij de brief van 17 augustus 2005 nooit heeft ontvangen, zodat op goede gronden is besloten de aanvraag om overneming van de betalingsverplichtingen niet in behandeling te nemen. In een begeleidend schrijven heeft het Uwv appellant medegedeeld aan de primaire afdeling gevraagd te hebben om met de tijdens de bezwaarprocedure ontvangen informatie alsnog een (inhoudelijk) besluit te nemen.

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om overneming van de betalingsverplichtingen afgewezen, omdat appellant niet beschikt over een geldige verblijfstitel en tewerkstellingsvergunning en aldus niet aangemerkt kan worden als een werknemer in de zin van de WW.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 januari 2007. Het Uwv heeft de rechtbank ter informatie een kopie toegezonden van het besluit van 10 januari 2007. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu aan het besluit van 10 januari 2007 geen nieuwe aanvraag ten grondslag ligt, geen sprake is van een nieuw primair besluit doch van een wijziging van het besluit van 4 januari 2007 hangende beroep als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, en aldus van een nieuw besluit op bezwaar. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb heeft de rechtbank het beroep geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 10 januari 2007. Omdat het beroep van appellant gericht was op het verkrijgen van een inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag om een WW-uitkering en hij geen belang meer heeft bij een vernietiging van het besluit van

4 januari 2007, heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het besluit van

4 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vervolgens, het besluit van 10 januari 2007 beoordelend, vastgesteld dat er geen tijdstip is aan te wijzen waarop appellant als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt of moet worden beschouwd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 10 januari 2007 dan ook ongegrond verklaard.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Appellant betoogt dat de rechtbank het besluit van 10 januari 2007 ten onrechte heeft aangemerkt als een wijziging van het besluit van 4 januari 2007, en aldus het besluit van 10 januari 2007 ten onrechte in de procedure heeft betrokken. Appellant stelt zich vervolgens op het standpunt dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 januari 2007 gegrond had behoren te verklaren nu hij de door het Uwv gevraagde gegevens wel tijdig heeft verstrekt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of de rechtbank het besluit van

10 januari 2007 op goede gronden heeft aangemerkt als een wijziging van het besluit van 4 januari 2007 hangende beroep als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Het Uwv heeft in hoger beroep (nader) toegelicht dat hij het door appellant tijdens de bezwaarfase inbrengen van de ontbrekende gegevens heeft beschouwd als een nieuwe aanvraag, waarop hij bij primair besluit van 10 januari 2007 inhoudelijk heeft beslist. Gelet op het feit dat het Uwv bij besluit van 10 januari 2007 heeft beslist op een nieuwe aanvraag, kan naar het oordeel van de Raad niet gesteld worden dat het besluit van

10 januari 2007 blijft binnen de grondslag en de reikwijdte van de oorspronkelijke aanvraag. De rechtbank heeft het besluit van 10 januari 2007 dan ook ten onrechte aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb, en het beroep van appellant dan ook ten onrechte geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van

10 januari 2007. Dit betekent dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal de zaak niet terugverwijzen naar de rechtbank, maar zelf een oordeel ten gronde geven.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

De Raad is - gelet op het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van de WW - van oordeel dat de door het Uwv bij appellant opgevraagde kopieën van de tewerkstellingsvergunning en legitimatiebewijs noodzakelijk zijn om het recht op een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW te kunnen beoordelen. De Raad is voorts van oordeel dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant - zoals hij heeft gesteld - het Uwv binnen de hem laatstelijk gestelde termijn tot 18 augustus 2005 heeft bericht dat hij niet over een tewerkstellingsvergunning beschikt. Vaststaat dat de brief van 17 augustus 2005 niet aangetekend is verzonden. Ingevolge volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat een brief daadwerkelijk (op de betreffende dag) is verzonden voor rekening van de afzender.

Het Uwv heeft zich gelet op het voorgaande terecht bevoegd geacht om de aanvraag om overneming van de betalingsverplichtingen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 januari 2007 ongegrond verklaren.

De Raad ziet tevens grond voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, totaal € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 144,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

RB0104