Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
06-6269 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten verbonden aan elektrische gezichtsepilatie. Geen recht op bijzondere bijstand aangezien nota en betaling vóór datum aanvraag. Buitenwettelijk beleid toepassen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6269 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2006, 05/1027 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Voor appellante is niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante heeft op 18 oktober 2004 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten verbonden aan elektrische gezichtsepilatie.

Bij besluit van 28 oktober 2004 is deze aanvraag afgewezen. De daartegen gerichte bezwaren zijn bij besluit van 27 januari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de kosten, blijkens de overgelegde nota’s van de dermatoloog, ten minste vier maanden tevoren zijn gemaakt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om in afwijking van de geldende jurisprudentie inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht over te gaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 27 januari 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB, zoals dit artikel ten tijde in geding luidde, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt - voor zover van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Uit de stukken blijkt dat de ingediende nota’s van de dermatoloog dateren van ruim vóór de indiening van de aanvraag om bijzondere bijstand. Zo is de laatste nota van 17 juni 2004. Uit diezelfde nota’s blijkt bovendien dat het verschuldigde bedrag op de datum van de nota’s per pinpas is betaald. Aangezien de kosten derhalve door appellante voor de datum van aanvraag zijn gemaakt én voldaan, zonder dat van een (reële) schuld ter zake is gebleken, had zij gelet op artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, reeds hierom geen recht op bijzondere bijstand.

Het door het College ter zake van bijzondere bijstand gevoerde buitenwettelijke beleid mist in dit geval toepassing nu reeds de afzonderlijke nota’s het in dat verband gehanteerde maximumbedrag van € 100,-- overtreffen. Bijzondere omstandigheden die het College ertoe hadden moeten brengen van dat beleid af te wijken, zijn niet gesteld of anderszins gebleken.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

RB1303