Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
06/4362 WA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de WAO-schatting in de loop van het geding zodanig onderbouwd dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten? Onvoldoende motivering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4362 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juni 2006, 05/5239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Dijk, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 12 maart 2007 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn ingezonden.

Bij brief van 11 februari 2008 heeft appellant, naast enige andere stukken, een hem betreffend ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 5 november 2007 ingezonden en de beroepsgronden nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft op 13 augustus 1999 zijn werkzaamheden van postbode in verband met diverse klachten van lichamelijke en psychische aard gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan appellant een WAO-uitkering toegekend, aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, en per 23 april 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 10 augustus 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit steunt met betrekking tot de medische kant van de schatting op een rapport van 17 mei 2005 van de verzekeringsarts C. van der Smagt-Smeets en wat de arbeidskundige kant betreft op een rapport van 26 mei 2005 van de arbeidsdeskundige E. van Eijken. Laatstgenoemde is tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt was een aantal functies te vervullen en dat hij daarmee een zodanig inkomen zou kunnen verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Bij besluit op bezwaar van 15 november 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv na herbeoordeling van de medische grondslag van de schatting door de bezwaarverzekeringsarts M. Carere de herziening van de WAO-uitkering gehandhaafd. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 14 november 2005 de hoorzitting bijgewoond en bij appellant na afloop lichamelijk onderzoek gedaan. Op basis van de voorhanden zijnde medische gegevens, de indruk van appellant op de hoorzitting en de uitkomsten van het verrichte onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 14 november 2005 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding was om verdergaande medische beperkingen te aanvaarden dan de verzekeringsarts al had aangenomen. De arbeidskundige kant van de schatting is niet heroverwogen.

In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen bezwaararbeidsdeskundige de van zijn zijde bij bezwaarschrift aangevoerde argumenten tegen de geschiktheid van de geduide functies in de bezwaarfase van de besluitvorming heeft beoordeeld. In hoger beroep heeft appellant deze stelling herhaald. De Raad ziet aanleiding eerst hierover zijn oordeel te geven.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 3 januari 2006, LJN: AU9061 herhaalt de Raad zijn oordeel dat het heroverwegingskarakter van de bezwaarprocedure niet met zich brengt dat de arbeidskundige aspecten van het primaire besluit in iedere bezwaarprocedure beoordeeld dienen te worden door een bezwaararbeidsdeskundige. Indien er geen expliciete arbeidskundige bezwaren zijn aangevoerd of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat de geselecteerde functies voldoen aan de aangegeven beperkingen en/of andere vastgestelde voorwaarden dan wel dat de rekenkundige beoordeling juist is uitgevoerd, kan worden volstaan met een beoordeling door de medewerker bezwaar/beroep en behoeft de zaak niet te worden voorgelegd aan de bezwaararbeidsdeskundige.

In het onderhavige geval zijn bij aanvullend bezwaarschrift van 9 november 2005 door appellant tegen de door de arbeidsdeskundige geschikt geachte functie expliciet specifieke bezwaren aangevoerd waarom die functie voor hem niet geschikt is. Eerst in hoger beroep is de bezwaararbeidsdeskundige Stoffijn bij uitvoerig gemotiveerd rapport van 6 maart 2007 op de geschiktheid van de geduide functies ingegaan en is daarbij tot de conclusie gekomen dat deze functies kunnen worden gehandhaafd. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat van een volledige heroverweging van de arbeidsongeschiktheidsschatting in bezwaar niet gesproken kan worden en dat mitsdien het bestreden besluit met de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad staat vervolgens voor de vraag of de arbeidsongeschiktheidsschatting in de loop van de gedingvoering zodanig is onderbouwd dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

Die vraag beantwoordt de Raad reeds ontkennend op de grond dat voor de Raad niet is komen vast te staan dat per de datum in geding 10 augustus 2005 de gezondheidssituatie van appellant zodanig was dat hij beschikte over een duurzaam vermogen om arbeid te verrichten. De Raad wijst er daarbij op dat appellant zich op 17 oktober 2005 heeft ziek gemeld en dat het Uwv na ommekomst van een wachttijd van vier weken bij besluit van

5 november 2007 de WAO-uitkering van appellant per 14 november 2005 heeft verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad kan slechts vaststellen dat de bezwaarverzekeringsarts Carere appellant in het kader van de besluitvorming in bezwaar eveneens op 14 november 2005 medisch heeft onderzocht en daarbij niet tot de conclusie is gekomen dat de situatie van appellant ernstiger was dan de verzekeringsarts had aangenomen. Deze gang van zaken doet zo veel twijfel rijzen aan de medische oordeelsvorming, dat de Raad de mede daarop gebaseerde herziening van de WAO-uitkering van appellant per 10 augustus 2005 onvoldoende gemotiveerd acht.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL