Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
06-3193 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Onvoldoende zorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3193 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 april 2006, 05/5034

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft de Raad een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts S. Gommers doen toekomen.

Namens appellant is andermaal een nader stuk ingezonden.

Ook hierop is door het Uwv gereageerd met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Gommers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in december 2004 een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), in verband met wegens klachten van verschillende aard - onder meer vermoeidheidsklachten en psychische klachten - ingetreden arbeidsongeschiktheid voor zijn werkzaamheden als zelfstandig vrachtwagenchauffeur.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van

29 december 2004 in aanmerking te brengen voor de verzochte WAZ-uitkering, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van

11 november 2005.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen argumenten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het door de verzekeringsartsen ingestelde medische onderzoek. Eveneens heeft de rechtbank zich met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

In hoger beroep zijn in lijn met de eerder aangevoerde bezwaren met name grieven naar voren gebracht inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant doet hierbij in het bijzonder wijzen op zijn klachten van ernstige vermoeidheid en energieverlies, welke zouden zijn terug te voeren op het zogeheten chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en/of een depressie. Als gevolg hiervan zou appellant ook klachten hebben ontwikkeld van hyperventilatie en slaapapneu. In verband met zijn ernstige vermoeidheidsklachten acht appellant zich hooguit in staat een uur of twee achter elkaar te werken.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, berust het bestreden besluit primair op de grond dat appellant, wiens arbeidsongeschiktheid volgens de verzekeringsartsen arbitrair op 1 januari 2004 een aanvang heeft genomen, in staat is om ondanks de voor hem van toepassing geachte beperkingen op en na 29 december 2004 weer volledig de eigen werkzaamheden als vrachtautochauffeur te verrichten. Subsidiair wordt appellant in staat geacht op en na genoemde datum met diverse loondienstfuncties een zodanig inkomen te verwerven dat geen sprake is van een voor de toepassing van de WAZ relevant verlies aan verdiencapaciteit.

De Raad is op grond van het volgende van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden geacht op een deugdelijke motivering te berusten.

Blijkens het onderzoeksverslag van 18 januari 2005, bevattende de resultaten van het door de verzekeringsarts H. Darix ingestelde onderzoek, heeft appellant verklaard dat het werken niet meer gaat: hij heeft geen energie meer om dagelijks te moeten autorijden. Zijn echtgenote rijdt met hem mee en neemt het na twee tot drie uur van hem over. In het arbeidskundig rapport van 8 maart 2005, waarin de uitkomsten zijn neergelegd van onderzoek op 10 februari 2005 door de arbeidsdeskundige A.F. Heilbron, wordt vermeld dat appellant sinds twee tot tweeënhalf jaar niet meer zelf rijdt: hij werkt altijd samen met zijn vrouw. Zijn vrouw rijdt en appellant wijst de weg en geeft technische aanwijzingen.

Indien bovenstaande juist zou zijn en ervan zou moeten worden uitgegaan dat appellant, daartoe genoodzaakt door een verslechterende gezondheidssituatie, reeds een aantal jaren een (substantieel) deel van zijn werkzaamheden heeft moeten overlaten aan zijn echtgenote, is minst genomen twijfel mogelijk met betrekking tot de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende uitgangspunt dat appellant tot 1 januari 2004 onbeperkt in staat is geweest tot het uitoefenen van zijn eigen werkzaamheden en dat zijn arbeidsongeschiktheid eerst een aanvang heeft genomen per die datum. Daaruit volgt dat tevens twijfel rijst met betrekking tot de vraag of bij beoordeling van de aanspraken van appellant op een WAZ-uitkering van de juiste datum - 29 december 2004 - is uitgegaan.

Temeer nu uit de onderliggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens geenszins valt af te leiden dat de hiervoor vermelde weergave door appellant van de wijze waarop hij de laatste jaren zijn werkzaamheden heeft (moeten) verricht(en) op voorhand als onjuist is aangemerkt, had het op de weg van het Uwv gelegen daarnaar een gericht onderzoek in te stellen. Daarbij had ook moeten worden onderzocht of de echtgenote van appellant ook reeds voordat appellant gezondheidsklachten kreeg meewerkte, met name of zij ook toen reeds een deel van het rijden voor haar rekening placht te nemen. De arbeidsdeskundige Heilbron lijkt daar wel vanuit te zijn gegaan, nu hij immers in zijn rapport van 8 maart 2005 de geschiktheid van appellant voor het eigen werk aldus heeft gemotiveerd dat er zijns inziens geen contra-indicatie bestaat voor het rijden in een vrachtwagen en zeker niet voor het meerijden. Niet zonder belang in dit verband is ten slotte nog dat appellant destijds bij zijn aanvraag om uitkering heeft opgegeven dat zijn arbeidsongeschiktheid reeds is ontstaan in december 2002.

In verband met het ontbreken van een onderzoek in vorenbedoelde zin, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak en het daarbij in stand gelaten bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld nader onderzoek dienen in te stellen naar de aanvang van appellants arbeidsongeschiktheid en op basis van de uitkomsten daarvan alsmede eventueel nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van appellant.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

J.P.M. Zeijen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB