Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
06-1514 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische beperkingen juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1514 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2006, 05/2511

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn, in reactie op het haar toegezonden proces-verbaal en verweerschrift, de gronden van het hoger beroep nader uiteengezet.

Van de zijde van het Uwv is daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster in deeltijd, toen zij in november 1998 wegens klachten van verschillende aard uitviel. Met ingang van

31 mei 1999 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 9 november 2004 is deze uitkering met ingang van 10 januari 2005 herzien naar 45 tot 55%. Bij besluit van 25 mei 2005, het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 november 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren, betreft in essentie een herhaling van de eerder aangevoerde, in het bijzonder tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gerichte, bezwaren. Appellante is van mening dat zij, anders dan door het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit tot uitgangspunt is genomen, als gevolg van de combinatie van haar klachten en aandoeningen niet met voldoende duurzaamheid en in elk geval niet in een voltijdse omvang, in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid. Zij wijst daarbij met name op haar (pijn)klachten wat betreft het bewegingsapparaat, haar hartklachten en benauwdheidsklachten.

De Raad ziet de grieven van appellante in navolging van de rechtbank niet slagen.

De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de verzekeringsartsen een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld. Niet is kunnen blijken dat zij bij hun oordeelsvorming geen volledig beeld voor ogen hebben gehad van de gezondheidssituatie en de klachten van appellante. Ook is kennis genomen van de namens appellante ingebrachte rapporten van het Instituut Psychosofia.

Mede in het licht hiervan bestaat geen aanleiding om het ervoor te houden dat de ten tijde hier van belang geldende beperkingen van appellante door de verzekeringsartsen onvoldoende zijn erkend. De Raad merkt daarbij op dat appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen inzake haar gezondheidssituatie en de daaruit voor haar ten tijde hier van belang voortvloeiende arbeidsbeperkingen. Ook voor de stelling van appellante dat zij niet in staat is om voltijds te werken, bestaat geen objectief-medisch substraat.

De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de medische problematiek van appellante in wezen beperkt is tot cardiale problemen, waarvan zij inmiddels goed hersteld is, en tot klachten van het bewegingsapparaat, waarvoor geldt dat daarmee voldoende rekening is gehouden. De Raad heeft geen reden om dit oordeel niet juist te achten.

Ten slotte overweegt de Raad dat, aldus ervan uitgaande dat de medische beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, eveneens genoegzaam vaststaat dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies voor haar passend zijn te achten. Niet is gebleken dat de belasting van die functies de voor appellante vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

J.P.M. Zeijen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB