Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
05/1107 en 05/1139 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht korting op WAO-uitkering met terugwerkende kracht? Aan betrokkene als arbeidsinkomsten toerekenen de op de winst in mindering gebrachte kosten voor kinderopvang? In de regel aansluiten bij door fiscus aanvaarde winst.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 164

Uitspraak

05/1107 en 05/1139 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 januari 2005, 03/1549 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen partijen.

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 5 april 2007 heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, namens betrokkene een nadere grond aangevoerd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 april 2007 en op 1 februari 2008.

Na de zitting van 20 april 2007 heeft de Raad het onderzoek heropend. Desgevraagd heeft betrokkene nadere gegevens ingezonden. Hierop is van de zijde van het Uwv gereageerd met de inzending van een arbeidskundig rapport van 12 juli 2007.

De Raad heeft het onderzoek geschorst ter zitting van 1 februari 2008. Het Uwv heeft nog een arbeidskundige rapport d.d. 26 februari 2008 ingezonden. De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 7 maart 2008. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 12 november 2003 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluiten van 19 maart 2003 en 31 maart 2003. Het besluit van

19 maart 2003 strekt tot de verrekening van de door betrokkene van 1 maart 1999 tot

1 januari 2002 verworven arbeidsinkomsten. De daardoor te veel betaalde WAO-uitkering is teruggevorderd met het besluit van 31 maart 2003. Op 4 juni 2004 is het bestreden besluit gewijzigd. De uitbetaling van de aan appellant toegekende WAO-uitkering is voor het tijdvak van 1 september 1999 tot 1 januari 2001 verhoogd en het teruggevorderde bedrag is dienovereenkomstig verlaagd.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Deze zijn door partijen niet betwist. Het Uwv heeft aan betrokkene met ingang van

13 november 1998 een WAO-uitkering toegekend. Betrokkene is ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Vanaf de toekenning zijn door betrokkene genoten arbeidsinkomsten met toepassing van artikel 44 van de WAO in mindering gebracht. Vanaf 1 maart 1999 verricht betrokkene werkzaamheden als zelfstandige. Zijn bedrijfsactiviteiten heeft hij met ingang van 1 september 1999 ondergebracht in een besloten vennootschap.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 november 2003, als gewijzigd bij het besluit van 4 juni 2004, vernietigd in zoverre dat betrekking heeft op de periode van 1 maart 1999 tot 1 september 1999. Het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak met bepalingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat het Uwv in strijd met het door hem gevoerde beleid met terugwerkende kracht tot verrekening van arbeidsinkomsten onder toepassing van artikel 44 van de WAO is overgegaan. Appellant heeft in maart 1999 telefonisch aan het Uwv laten weten dat hij een eigen onderneming zou opstarten, heeft geïnformeerd naar de eventuele gevolgen voor zijn uitkering en de telefoongesprekken op 29 maart 1999 schriftelijk bevestigd. Ten tijde van de arbeidskundige rapportage van 5 november 1999 waren de cijfers uit de activiteiten als zelfstandige bij benadering bekend. Desondanks heeft het Uwv op 18 november 1999 aan betrokkene bericht dat hij in de periode juni en augustus 1999 bleef ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Het arbeidskundig onderzoek in november 1999 heeft niet geleid tot verrekening van de inkomsten over het tijdvak van maart tot en met mei 1999. Onder deze omstandigheden kon het, aldus de rechtbank, betrokkene niet langer redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij een te hoge uitkering had ontvangen.

Het hoger beroep van het Uwv

Hiertegen richt zich het hoger beroep van het Uwv. Dit hoger beroep slaagt. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Het besluit van 18 november 1999 houdt in dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd op 80-100% wordt bepaald, ondanks de door betrokkene in loondienst in juni en augustus 1999 verworven verdiensten. In het inkomstenformulier van

november 1999 heeft betrokkene aangegeven dat hij vanaf 1 januari 1999 één dag per week 3,7 uur per dag heeft gewerkt. Bij brief van 18 februari 2000 heeft hij (met verwijzing naar het door hem voor zijn werk in loondienst in rekening gebrachte uurtarief) aangegeven vanaf september 1999 geen verdiensten te hebben gehad. Pas in januari 2001 heeft betrokkene opgave gedaan van zijn werkzaamheden als zelfstandige en hij heeft, na schorsing van zijn uitkering wegens het uitblijven van informatie, in

mei 2002 opgave gedaan van zijn verdiensten als zelfstandige.

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat het Uwv in de gegeven omstandigheden terecht met terugwerkende kracht toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO, ook voor de periode tot 1 september 1999. Daaraan staan noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch het beleid van het Uwv in de weg. Betrokkene heeft pas in mei 2002 opgave gedaan van zijn inkomsten als zelfstandige. Het moet hem redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de voordien afgegeven kortingsbesluiten niet (mede) op zijn verdiensten als zelfstandige betrekking hadden.

De aangevallen uitspraak kan reeds daarom geen stand houden.

Het hoger beroep van betrokkene

Het hoger beroep van betrokkene ziet op de periode vanaf 1 september 1999. Met de toepassing van artikel 44 van de WAO en de terugvordering van de daardoor te veel betaalde WAO-uitkering over het tijdvak van 1 september 1999 tot 1 januari 2002 in het besluit van 4 juni 2004 heeft de rechtbank ingestemd.

Betrokkene heeft (uiteindelijk) in hoger beroep er in berust dat voor de toepassing van artikel 44 van de WAO over het tijdvak van 1 september 1999 tot 1 januari 2002 naast zijn salaris als directeur/grootaandeelhouder de door de vennootschap gerealiseerde winst als arbeidsinkomsten in aanmerking worden genomen. In hoger beroep houdt partijen slechts verdeeld of voor 2001 naast het salaris als directeur en de winst óók als arbeidsinkomsten aan betrokkene moet worden toegerekend de door de vennootschap op de winst in mindering gebrachte kosten voor de kinderopvang voor één van de kinderen van haar directeur.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat voor de toerekening van arbeidsinkomsten van een zelfstandige als regel wordt aangesloten bij de door de fiscus geaccepteerde winst. De daaraan ten grondslag liggende fiscale keuzes dienen daarbij tot uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden.

Het Uwv beroept zich op die bijzondere omstandigheden met het betoog dat de hier van belang zijnde fiscale keuze er toe leidt dat de winst is verlaagd met als gevolg dat minder arbeidsinkomsten aan betrokkene kunnen worden toegerekend. Die enkele omstandigheid vormt evenwel naar het oordeel van de Raad onvoldoende reden om af te wijken van de door fiscus aanvaarde winst.

Dat betekent dat ook het hoger beroep van betrokkene slaagt. Over 2001 is hem ten onrechte (fictief) een arbeidsinkomen toegerekend waarin begrepen is de op de winst van de vennootschap als kosten in mindering gebrachte post kinderopvang. Dat betekent dat, zij het op andere gronden, het beroep slaagt en het besluit van 12 november 2003, als gewijzigd bij besluit van 4 juni 2004 moet worden vernietigd. Het Uwv wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene.

De Raad ziet tevens aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, aan de zijde van betrokkene wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg, en € 644,- voor het hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 november 2003, als gewijzigd bij besluit van 4 juni 2004;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van betrokkene en daarbij deze uitspraak in acht neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht ad € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL