Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
05-5873 WAO + 05-6504 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concierge basisschool. Weigering WAO-uitkering na einde wachttijd. Met nieuw besluit niet tegemoetgekomen. Geen twijfel aan de bij de FML vastgestelde medische beperkingen. Geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5873 WAO + 05/6504 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 augustus 2005, 05/2178 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 28 februari 2005 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 augustus 2004, waarbij hem een WAO-uitkering per 28 augustus 2004 - in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken - is geweigerd, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, waarbij zij het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak, zulks met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het eigen werk van appellant wat betreft het dagelijks onderhouden van de perkjes en regelmatig verrichten van snoeiwerkzaamheden, geschikt is voor appellant, nu hij blijkens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkt is ten aanzien van knielen/hurken en geknield of gehurkt actief zijn.

Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Hangende het hoger beroep heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, gedateerd 3 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit II). Bij dit besluit is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard onder overweging dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.

De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bij de behandeling van het hoger beroep tevens een oordeel te geven over het bestreden besluit II, nu met dit nadere besluit wederom niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad stelt vervolgens vast dat het belang van appellant in deze zaken is gelegen in de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit II en dat hij geen procesbelang meer heeft bij behandeling van het hoger beroep. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wat betreft het beroep tegen het bestreden besluit II overweegt de Raad het volgende.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn medische beperkingen zoals neergelegd in de FML, zijn onderschat. Hij kan niet langer dan 15 minuten staan, lopen of zitten, heeft klachten ten gevolge van slijtage van de nek en ernstige pijnklachten. Gelet op het afwijkend medisch oordeel van de arts-gemachtigde van zijn werkgever en de bedrijfsarts had de rechtbank een deskundige (verzekeringsarts) moeten benoemen. Appellant verzoekt de Raad om alsnog een nader onderzoek te laten instellen door een onafhankelijke verzekeringsarts. Ter onderbouwing van de medische klachten is nog een brief ingezonden van de behandelend anesthesioloog R.L. van Leersum van 3 januari 2006. Voorts is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep niet ten nadele van appellant de beperkingen ten aanzien van knielen en hurken mag bijstellen of nuanceren. Tenslotte is aangevoerd dat appellant niet in staat is het eigen werk als conciërge op een basisschool te verrichten. Hij kan niet alleen de onderhouds- en snoeiwerkzaamheden niet verrichten, maar is ook niet in staat tot het beklimmen van een ladder, het buiten zetten van de afvalcontainer, het schoonmaken van de gymzaal en van de kleutertoiletten. Voorts is er onvoldoende mogelijkheid tot afwisseling in staan, zitten en lopen bij de uitoefening van zijn eigen werk.

Het Uwv heeft geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Hiertoe is verwezen naar de rapportages van de verzekeringsarts van 22 september 2005 en van de bezwaarverzekeringsarts van 22 september 2005, van 9 februari 2006 en 13 juli 2006 alsook de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 september 2005.

De Raad overweegt het volgende.

Aan het bestreden besluit II ligt ten grondslag dat de medische beoordeling, waarvan het resultaat is neergelegd in de FML van 19 juli 2004, blijft gehandhaafd en dat de arbeidskundige beoordeling eveneens blijft gehandhaafd, zij het met een nadere motivering ten aanzien van de snoei- en onderhoudswerkzaamheden in het eigen werk.

Wat betreft de medische besluitvorming ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, aanleiding tot twijfel aan de bij de FML vastgestelde medische beperkingen en stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake, waaraan hij het volgende toevoegt. De tijdens de hoorzitting op 2 november 2004 door de arts-gemachtigde van de werkgever, J.W. Jeensma, naar voren gebrachte informatie en de rapportage van de bedrijfsarts J. Snackey van 16 maart 2005 geven naar het oordeel van de Raad inderdaad een ander beeld van de medische beperkingen van appellant dan neergelegd in de FML. Echter, deze informatie is door de bezwaarverzekeringsarts M. Keus bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden van appellant meegewogen, zoals blijkt uit zijn rapportages van 22 november 2004 en 22 juni 2005. De Raad acht de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts ook op dit punt voldoende onderbouwd en ziet geen aanleiding tot twijfel aan de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen.

Het Uwv heeft ter zitting nog toegelicht dat aan de nuancering door de (bezwaar-) verzekeringsarts in hoger beroep ten aanzien van knielen en hurken geen doorslaggevende betekenis dient te worden gehecht in het kader van de onderhavige medische beoordeling. De medische grondslag van het bestreden besluit II, zoals neergelegd in de FML, blijft gehandhaafd, dat wil zeggen dat appellant niet of nauwelijks in staat wordt geacht knielend of hurkend met de handen de grond te bereiken en minder dan 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief kan zijn. Wat betreft de in hoger beroep ingezonden brief van de behandelend anesthesioloog Van Leersum van 3 januari 2006 is de Raad van oordeel dat uit deze brief valt op te maken dat Van Leersum zich kan verenigen met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML. Met betrekking tot de klachten aan de nek, schouder en arm ziet de Raad evenmin aanleiding tot twijfel aan het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van de neuroloog G.J. de Jong van 31 januari 2000 meegenomen in zijn beoordeling en in zijn rapportage van 22 november 2004 uitgebreid gemotiveerd waarom dit niet leidt tot beperkingen op de datum in geding. Gelet op het bovenstaande ziet de Raad geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

Wat betreft de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk overweegt de Raad het volgende.

Bij zijn rapportage van 22 september 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, na eigen onderzoek op de werkplek van appellant en een gesprek met de directeur van de basisschool, de feitelijke werkzaamheden van appellant nauwkeuriger in kaart gebracht en gemotiveerd waarom appellant, gelet op zijn functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht zijn eigen werk te verrichten. De Raad ziet, gelet op deze rapportage, gelezen in samenhang met het ter hoorzitting van 2 november 2004 overgelegde weekrooster en de daaropvolgende rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van

16 februari 2005 en van 25 juli 2005 geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant, gelet op zijn bij de FML vastgestelde functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht het eigen werk in volle omvang te verrichten. Wat betreft de snoei- en onderhoudswerkzaamheden acht de Raad, gelet op de toelichting van het Uwv dat het verwijderen van zwerfvuil gebeurt door middel van een stok met knijper en de snoeiwerkzaamheden in praktijk nauwelijks voorkomen waarbij nog komt dat de conciërge bij die werkzaamheden meehelpt zonder voor de snoeiwerkzaamheden verantwoordelijk te zijn, de geschiktheid voor appellant voldoende is toegelicht door het Uwv. Wat betreft het verrijden van de afvalcontainers en het beklimmen van de ladder stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. Wat betreft het schoonmaken van de gymzaal en de kleutertoiletten is de Raad van oordeel dat appellant hiertoe in staat moet worden geacht, nu deze werkzaamheden grotendeels worden verricht met een mop of grote wisser en er nauwelijks enige belasting is ten aanzien van hurken en/of knielen. Het schoonmaken van de kleutertoiletten gebeurt eerder in gebogen houding dan dat daadwerkelijk dient te worden geknield of gehurkt en als dit wel het geval is, dan hoeft appellant in elk geval minder dan 5 minuten lang geknield of gehurkt schoon te maken. Wat betreft de afwisseling in zitten, staan en lopen is door het Uwv naar het oordeel van de Raad inzichtelijk gemaakt dat er voldoende mogelijkheden tot afwisseling zijn. Daarbij komt dat appellant op elk moment even kort kan zitten ter recuperatie.

Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep niet.

De Raad ziet in zaak 05/5873 WAO aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand en tot een bedrag van € 17,50 aan door appellant gemaakte reiskosten.

Aangezien er sprake is van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van het bedrag van € 661,50 te geschieden aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 661,50, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

MH