Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-1132 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. (Prognose van de) ziekte van Menière. Verdergaande beperkingen? In beroep is schatting nader gemotiveerd: arbeidsonkundige grondslag is ook ontoereikend. In stand laten van rechtsgevolgen door de rechtbank om een andere reden: geen aanleiding om hier nog apaprte gevolgen te verbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1132 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2006, 05/1630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 2 mei 2005 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van het Uwv van 18 oktober 2004 waarbij de aan appellant per 26 november 1993, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, toegekende WAO-uitkering per 19 december 2004 is herzien naar een mate van 45-55%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven, voorts het een en ander bepaald over proceskosten alsook griffierecht en appellants verzoek om vergoeding van (rente-)schade afgewezen.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft bij rapport van 26 september 2005 in reactie op de nader overgelegde brief van prof. dr. P. van den Broek van 29 maart 1999 appellants belastbaarheid opnieuw beoordeeld en vervolgens aangescherpt door wegens de duizeligheidsklachten (naast de al gegeven beperking voor klimmen) een aanvullende beperking te geven voor persoonlijk risico/werk op hoogtes en voor de gehoor/tinnitusklachten (naast de al gegeven beperking voor spraakverstaan, één op één niet gestoord) een aanvullende beperking te geven voor een omgeving met veel achtergrondlawaai. Bij rapport van 28 oktober 2005 heeft Carere voorts aangegeven dat beroepsmatig autorijden uit preventief oogpunt niet wenselijk is en dat appellant wel kan worden geacht gehoorbescherming te dragen.

Aangezien het Uwv daarmee de gronden van het beroep (deels) heeft gehonoreerd en aldus afstand heeft genomen van de bij het besluit op bezwaar vastgestelde belastbaarheid, is appellants beroep gegrond en moet het besluit op bezwaar vanwege een ontoereikende medische grondslag worden vernietigd.

De rechtsgevolgen van dat (te vernietigen) besluit op bezwaar moeten evenwel in stand worden gelaten, aldus voorts de rechtbank, omdat er geen redenen zijn om hetzij te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv in de beroepsfase vastgestelde belastbaarheid per 19 december 2004 hetzij aan te nemen dat de door appellant als gevolg van zijn ziekte ondervonden beperkingen zijn onderschat.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant zijn standpunt dat hij nog verdergaand beperkt moet worden geacht niet met medische stukken heeft onderbouwd, dat geen aanleiding bestaat voor het doen instellen van een onderzoek door een neuroloog als door de rechtbank te benoemen medisch deskundige, dat de bezwaarverzekeringsarts (Carere, bij rapport van 11 april 2005) uitvoerig commentaar heeft geleverd op de medische informatie en dat de FML naar aanleiding van de diagnose Menière is aangepast.

Gelet op het commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg bij rapport van 25 oktober 2005 op het standpunt van appellant dat met name de mede aan de schatting ten grondslag gelegde functie controleur/tester electronische apparatuur (sbc-code 267060) niet passend is, is die functie wel passend te achten. In aanmerking genomen dat de twee andere aan de schatting ten grondslag gelegde functies evenzeer passend zijn en alle functies ten tijde in geding voldoende actueel waren, heeft de rechtbank geen reden gezien de arbeidskundige grondslag van het besluit op bezwaar onjuist te achten.

Omdat het besluit op bezwaar voor het overige de rechterlijke toets wel kan doorstaan, moeten - zoals gezegd - de rechtsgevolgen van dat besluit (na vernietiging) in stand worden gelaten, aldus tot slot de rechtbank.

In hoger beroep is appellant uitsluitend opgekomen tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar. Daartoe heeft appellant aangevoerd en ter zitting van de Raad toegelicht dat hij in medisch opzicht meer is beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen, met name omdat de ziekte van Menière waaraan hij lijdt leidt tot geheugen-, aandachts- en concentratiestoornissen welke niet (in voldoende mate en nader) per de datum thans in geding in aanmerking zijn genomen en hij bijgevolg niet in staat is tot vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geweigerd een neuroloog als onafhankelijke deskundige in te schakelen, zodat het thans op de weg van de Raad ligt om een nader medisch onderzoek door een deskundige te doen instellen, aldus appellant.

De Raad volgt appellant niet in diens opvatting en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank lijkt er in de aangevallen uitspraak vanuit te zijn gegaan dat de ziekte van Menière bij appellant is gediagnosticeerd en dat naar aanleiding daarvan de FML is aangepast. Het is de vraag of dat juist is. Bij rapport van 14 juli 2005 heeft Carere aangegeven er op basis van de voorhanden gegevens nog niet van te zijn overtuigd dat appellant de ziekte van Menière heeft (op de datum in geding had), maar bereid te zijn tot bijstelling van zijn mening indien blijkt dat de door appellant over te leggen brief van prof. Van den Broek van (29 maart) 1999 duidelijk de onderbouwing van de diagnose Menière bevat. Die (overigens aan een verzekeringsarts van het Uwv gerichte) brief is door appellant overgelegd en op basis daarvan is Carere bij rapport van 26 september 2005 gekomen tot de in de aangevallen uitspraak aangegeven aanscherping van de FML.

Bij “Conclusie en planning” heeft Carere in dat rapport weliswaar vermeld dat er reden bestaat voor verdergaande beperkingen, maar naar het oordeel van de Raad heeft Carere daarmee niet meer bedoeld te zeggen dan dat er geen reden bestaat om beperkingen aan te nemen die nòg verder gaan dan de hiervoor door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermelde beperkingen waarmee Carere appellants belastbaarheid naar aanleiding van de brief van Van den Broek reeds heeft aangescherpt. Carere heeft in dat rapport niet als eigen conclusie vermeld dat bij appellant het bestaan van de ziekte van Menière is vastgesteld. De brief van Van den Broek van 29 maart 1999 is op dat punt niet helder; enerzijds wordt daarin vermeld “Nu menen wij met vrij grote stelligheid te kunnen zeggen dat hier sprake is van een Menière syndroom, mogelijk een echte ziekte van Menière in verband met de vrij klassieke verschijnselen.”, maar anderzijds wordt verderop in die brief gesproken van “De prognose van zijn ziekte van Menière …..”. Wat daarvan ook zij, Carere heeft op basis van die brief (in haar geheel) de FML aangescherpt. Dit ligt ook geheel in de lijn van de opvatting dat het niet zozeer gaat om de diagnose alswel om de beperkingen die mede aan de hand van de gestelde, met objectieve medische gegevens onderbouwde diagnose kunnen worden geconstateerd en vastgesteld.

De Raad ziet in die brief van Van den Broek geen aanknopingspunt om te oordelen dat Carere de FML nog verdergaand had moeten aanscherpen. Andere medische stukken die daartoe aanleiding hadden moeten of kunnen geven, zijn door appellant niet in geding gebracht.

Evenmin als de rechtbank en om dezelfde redenen als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermeld, ziet de Raad aanleiding om te komen tot de twijfel die nodig is voor het inschakelen van een neuroloog of andere specialist als medisch deskundige.

Gelet hierop valt niet in te zien dat de rechtbank wat de medische kant van de zaak betreft niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid te bepalen dat vernietiging van het besluit op bezwaar van 2 mei 2005 de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Wat de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies betreft (controleur/tester met sbc-code 267060, medewerker mutatieverwerking met 515080 en coupeur/stikker met 272043) vermag de Raad evenmin als de rechtbank in te zien dat die functies op enig onderdeel een overschrijding van appellants bij de FML vastgestelde medische belastbaarheid te zien geven.

Echter, omdat eerst in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg afdoende is gemotiveerd waarom de drie genoemde functies de schatting kunnen dragen, had de rechtbank in de aangevallen uitspraak moeten komen tot het oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het besluit op bezwaar evenzeer ontoereikend is en dat dat besluit te dien aanzien evenmin de rechterlijke toets kan doorstaan. Alsdan zou er voor de rechtbank voldoende aanleiding hebben bestaan om gebruik te maken van de bevoegdheid te bepalen dat na vernietiging van dat besluit de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Aangezien de rechtbank dat laatste reeds, zij het om een andere reden, heeft gedaan, ziet de Raad onvoldoende aanleiding om aan deze onvolkomenheid nog aparte gevolgen te verbinden.

Inmiddels is, zo is ter zitting van de Raad naar voren gekomen, in verband met per 1 februari 2007 toegenomen medische beperkingen aan appellant een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend, maar daarmee kan per de datum thans in geding - uiteraard, zoals door appellant ook onderkend - geen rekening worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voorzover aangevallen. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevallen.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

RJB