Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-2567 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Geen relevante verslechtering van de medische situatie. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over voldoende medische informatie, geen noodzaak voor aanvullend medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2567 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2006, 05/3124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Namens appellant is verschenen mr. Steijgerwalt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als voltijd hulpvakarbeider. Sinds 29 april 1992 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft zich per 8 september 2003 ziek gemeld wegens rug- en nekklachten. Op dat moment werd zijn WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en ontving hij daarnaast een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

In het kader van een WAO-beoordeling is appellant op 4 januari 2005 door de verzekeringsarts onderzocht. Voorts heeft de huisarts van appellant bij brief van 26 juli 2004 informatie verstrekt. In het door de verzekeringsarts op 4 januari 2005 uitgebrachte rapport wordt melding gemaakt van darmklachten, urologische problemen en psychische klachten, naast de nek- en rugklachten. Volgens de verzekeringsarts kunnen de door appellant geclaimde aanzienlijke rug- en nekklachten bij onderzoek niet geheel worden bevestigd, maar is er wel reden om in verband met deze klachten beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de verzekeringsarts een aantal beperkingen op psychisch vlak aangenomen.

De arbeidsdeskundige heeft met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies voor appellant geselecteerd en heeft op 14 april 2005 gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 15 tot 25% bedraagt.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat wordt geweigerd om de WAO-uitkering met ingang van 5 september 2004 te verhogen.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts na dossieronderzoek op 31 augustus 2005 een rapport uitgebracht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek verricht en is voldoende rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellant.

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 9 september 2005 gerapporteerd dat één sbc-code, die bij de primaire beoordeling is gebruikt, moet afvallen en dat op basis van de resterende sbc-codes de mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% bedraagt.

Bij besluit van 19 september 2005 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 5 september 2004 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij was de rechtbank van oordeel dat het door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellant niet onjuist zijn ingeschat. Voorts heeft de rechtbank de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt geacht.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig was. Volgens appellant is gebruik gemaakt van verouderde informatie van de huisarts en had de bezwaarverzekeringsarts niet mogen volstaan met dossieronderzoek. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat de geselecteerde functies voor hem in medisch opzicht ongeschikt zijn.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant per 5 september 2004 terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

De Raad overweegt als volgt.

De primaire verzekeringsarts heeft eigen onderzoek verricht en informatie bij de huisarts ingewonnen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire medische beoordeling heroverwogen op basis van de in het dossier aanwezige medische informatie. De Raad kan appellant niet volgen in diens stelling dat de aanwezige informatie van de huisarts verouderd was. De desbetreffende informatie dateert van 26 juli 2004, terwijl de beoordelingsdatum 5 september 2004 is. Er is gesteld noch gebleken dat zich tussen 26 juli 2004 en 5 september 2004 een relevante verslechtering van de medische situatie heeft voorgedaan. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische informatie beschikte en dat in dit geval voor een aanvullend medisch onderzoek in de bezwaarfase geen noodzaak bestond. Het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek acht de Raad voldoende zorgvuldig. Het is de Raad voorts niet gebleken dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant onjuist hebben ingeschat.

De onderhavige schatting berust primair op functies uit de sbc-codes 267040, 267050 en 111180. De medische geschiktheid van de desbetreffende functies is toegelicht in diverse rapporten. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv in hoger beroep een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 november 2007 ingezonden, waarin alsnog alle signaleringen met een G zijn toegelicht. De Raad acht met deze toelichting, in combinatie met de eerdere arbeidskundige rapporten, de medische geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende onderbouwd.

Nu eerst bij het genoemde rapport van 5 november 2007 is voldaan aan de in de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het CBBS gestelde eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid, bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand laten.

De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

MH