Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-2784 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering na einde wachttijd. De opvatting van appellant (en zijn werkgever) ten aanzien van de geschiktheid van betrokkene voor het eigen werk in volle omvang wordt niet ondersteund door de ten aanzien van appellant vastgestelde objectief medische bevindingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2784 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 april 2006, 05/2705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, sedert 1 september 1978 werkzaam als costmanager bij Rabofacet BV gedurende 40 uur per week, is op 20 oktober 2003 wegens rugklachten voor die werkzaamheden uitgevallen.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, onder de overweging dat appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, per 18 oktober 2004 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Hieraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van zijn eigen werk van costmanager in volle omvang.

Het door appellant tegen het besluit van 21 december 2004 ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 4 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden naar voren gebracht als in zijn beroep bij de rechtbank. Ook in hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat, in het bijzonder zijn duurbelastbaarheid, en hij in verband hiermee niet geschikt is tot het verrichten van zijn eigen werk in volle omvang.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die leidt tot de conclusie dat hij op de datum in geding meer beperkingen had.

De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

Anders dan namens appellant ter zitting is gesteld, is de door anaesthesioloog P.F.J. Baaijens desgevraagd aan de verzekeringsarts A.E.M.M. Cosemans verstrekte informatie bij brief van 29 november 2004 wel betrokken in de oordeelsvorming van het Uwv gezien de aantekening van de verzekeringsarts op deze brief. De Raad ziet met het Uwv in deze informatie geen objectief medische aanknopingspunten voor het aannemen van zwaardere beperkingen dan neergelegd in de FML.

Het gegeven dat appellant in de praktijk niet ten volle heeft hervat in het eigen werk leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel. De opvatting van appellant (en zijn werkgever) ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor het eigen werk in volle omvang op de hier aan de orde zijnde datum 18 oktober 2004 wordt niet ondersteund door de ten aanzien van appellant vastgestelde objectief medische bevindingen.

In het voorgaande ligt besloten dat er geen aanleiding bestaat om het ter zitting gedane verzoek om benoeming van een medische deskundige in te willigen.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

JL