Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-351 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts was niet ter hoorzitting aanwezig en heeft betrokkene niet zelf onderzocht: alle klachten zijn in de beoordeling betrokken; onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat betrokkene geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft; geen onderschatting beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/351 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2005, 04/3126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.H. Schipper, werkzaam bij Utrechtse Juristen Groep B.V. te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, kantoorgenoot van mr. Schipper, en A. Arpat als tolk. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante, die laatstelijk gedurende 25 uur per week werkzaam was als wasserijmedewerkster, is met ingang van 3 december 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met multipele pijnklachten van het bewegingsapparaat, adipositas en hypothyreoidie.

Bij besluit van 25 maart 2004 is in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling de WAO-uitkering van appellante per 20 mei 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 28 september 2004 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 25 maart 2004 ongegrond verklaard. Blijkens de gedingstukken ligt aan het bestreden besluit het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellante met lichamelijke en energetische beperkingen ten gevolge van aspecifieke klachten van het bewegingsapparaat, adipositas en hypothyreoidie - als neergelegd in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen van de FML - geschikt is voor het vervullen van functies waarmee een zodanig inkomen kan worden verdiend dat een mate van arbeidsongeschiktheid van 25,8% resteert.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante - evenals in beroep - de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Appellante stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding nu de bezwaarverzekeringsarts niet ter hoorzitting aanwezig was noch appellante zelf heeft onderzocht, terwijl hiertoe wel aanleiding was gezien de klachten van depressiviteit. Voorts heeft zij gesteld dat duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreken ten gevolge van ADL-afhankelijkheid alsook dat de aard - er moeten ook psychische beperkingen worden vastgesteld -, de ernst en de omvang van de beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing is verwezen naar de in bezwaar overgelegde medische gegevens en zijn in hoger beroep medische gegevens overgelegd van het Regionaal Pijn Centrum Ziekenhuis Bernhoven d.d. 23 maart 2004, van de huisarts d.d. 21 december 2004, van gz-psycholoog i.o. A.M. Zandbergen (mede ondertekend door psychiater dr. S. de Wael) d.d. 15 mei 2006 en van internist drs. A. Loualidi d.d. 12 juli 2007 en d.d. 27 september 2007.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat aan het bestreden besluit een zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. De bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer heeft de door appellante in bezwaar overgelegde brieven van de behandelend fysiotherapeut/acupuncturist P. Greve en een Turkse radioloog in de oordeelsvorming betrokken en heeft zich mede gebaseerd op desgevraagd verkregen informatie van de behandeld reumatoloog M.A.W. Geurts (brieven van 28 december 2001, 20 februari 2003, 10 augustus 2004 en 13 september 2004). De bezwaarverzekeringsarts kon op grond van de hem ter beschikking staande gegevens tot een verantwoorde oordeelsvorming komen. De Raad ziet niet in dat de bezwaarverzekeringsarts uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding appellante ter hoorzitting dan wel voor onderzoek had moeten zien. De Raad overweegt in dit verband dat alle door appellante vermelde klachten door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling zijn betrokken. Ten aanzien van de klachten van depressiviteit overweegt de Raad dat appellante noch in de door haar op 14 april 2003 ingevulde vragenlijst, noch in de anamnese bij de verzekeringsarts, noch in het bezwaarschrift van 6 juli 2004 melding heeft gemaakt van depressieve klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft desondanks in zijn rapportage van 15 september 2004 zich terdege rekenschap gegeven van de in de brieven van reumatoloog Geurts opgenomen mededelingen dat appellante neerslachtig, somber, gedeprimeerd, en/of depressief oogt en deze gegevens in de oordeelsvorming betrokken.

De Raad overweegt vervolgens dat hij met de rechtbank, en op gelijke gronden als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigd, van oordeel is dat de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellante op de in geding zijnde datum geen duurzaam benutbare mogelijkheden had.

De Raad ziet voorts evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de aard, ernst en omvang van de beperkingen van appellante heeft onderschat. De bezwaarverzekeringsartsen De Brouwer en L.T.M. Lenders hebben in hun rapporten van respectievelijk 15 september 2004 en 6 maart 2006 inzichtelijk en medisch deugdelijk onderbouwd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om van een tot psychische beperkingen leidende psychische stoornis te spreken op de hier in geding zijnde datum. De in hoger beroep overgelegde brief van gz-psycholoog i.o. Zandbergen (en psychiater De Wael) van 15 mei 2006 biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsartsen omdat de behandelaars zich slechts uitlaten over de psychische gezondheidstoestand van appellante in maart 2006 en uitdrukkelijk geen uitspraak doen over de psychische gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding.

De Raad overweegt vervolgens dat er vanwege het Uwv ondanks de moeilijk objectiveerbare pijnklachten van appellante (duidelijke) fysieke beperkingen zijn aangenomen. In de door appellante in bezwaar en in hoger beroep overgelegde medische gegevens heeft de Raad geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante per 20 mei 2004 in fysiek opzicht meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

In het voorgaande ligt voorts besloten dat er onvoldoende aanleiding bestaat het verzoek tot het inschakelen van een psychiater als medisch deskundige in te willigen.

De Raad is verder van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies vallen binnen de grenzen van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

RJB