Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-4167 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Gezien de medische gegevens is er geen grond voor twijfel aan de vastgestelde medische beperkingen. Niet meer onder medische en/of psychiatrische behandeling. In het verleden geen melding van vermoeidheidsklachten. In hoger beroep geen medische stukken ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4167 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juni 2006, 05/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 3 november 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft betaald.

Het tegen voornoemde uitspraak gedane verzet is met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb bij uitspraak van 2 februari 2007 gegrond verklaard, waarna het onderzoek is voortgezet.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht en heeft bij brief van 14 februari 2008 geantwoord op het schrijven van de Raad van 11 februari 2008.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 22 februari 2008. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant, die laatstelijk gedurende 38 uur per week werkzaam was als elektricien, is met ingang van 7 november 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met een op handen zijnde operatie wegens knieklachten rechts. De WAO-uitkering is per 11 december 2001 en vervolgens per 1 februari 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van achtereenvolgens 45 tot 55% en 15 tot 25%. Wegens toegenomen beperkingen in verband met een ophanden zijnde operatie wegens knieklachten rechts is de WAO-uitkering ingaande 22 april 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 7 februari 2005 is in het kader van een herbeoordeling volgens het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) de WAO-uitkering van appellant per 5 april 2005 ingetrokken, omdat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hieraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellant met zijn psychische beperkingen - als neergelegd in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML - geschikt is voor het verrichten van functies waarmee een zodanig inkomen kan worden verdiend dat een mate van arbeidsongeschiktheid van 5,2% resteert.

Het door appellant tegen het besluit van 7 februari 2005 ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 12 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft appellant vanuit medisch oogpunt geschikt bevonden voor de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies. Het beroep is dientengevolge ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant - evenals in beroep - de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Appellant stelt zich op het standpunt dat door het Uwv onvoldoende onderzoek is gedaan naar en onvoldoende rekening is gehouden met ernstige vermoeidheidsklachten die hij, reeds vanaf zijn vijftiende jaar, heeft.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat sprake is van een zorgvuldige medische voorbereiding door het Uwv. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling berust niet alleen op bevindingen bij anamnese en bij lichamelijk onderzoek zoals weergegeven in het rapport van de verzekeringsarts S. Ytsma van 29 november 2004 en de bevindingen bij de hoorzitting zoals weergegeven in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke van 5 augustus 2005, maar berust mede op desgevraagd verkregen informatie van de huisarts H.A. Speijers. Onder de via de huisarts verkregen informatie bevinden zich brieven van de Riagg te Zwolle uit december 1997 en januari 1998 en een brief van psycholoog-psychotherapeut R.F. Vernij, verbonden aan de verslavingskliniek Zwolse Poort, d.d. 21 september 2004. Nadien heeft Vernij de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 21 juli 2005 desgevraagd nader geïnformeerd.

Uit het dossier blijkt voorts dat volledigheidshalve informatie is opgevraagd bij de voormalige huisarts Bergsma, doch van deze arts tot tweemaal toe geen reactie is ontvangen. Dat laatste brengt evenwel niet met zich dat belangrijke gegevens voor de beoordeling van de gezondheidstoestand op de hier in geding zijnde datum ontbreken. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de door Bergsma in gang gezette onderzoeken dateren van toen hij circa 17 jaar was, terwijl appellant op de in geding zijnde datum (op twee dagen na) 29 jaar oud was. Daarnaast heeft appellant zowel in bezwaar als in beroep aangegeven dat de in het verleden verrichte medische onderzoeken naar de vermoeidheidsklachten geen respectievelijk nauwelijks afwijkingen aan het licht hebben gebracht.

De Raad is vervolgens van oordeel dat er, gezien de beschikbare medische gegevens, geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellant. Uit de van de behandelend sector verkregen informatie blijkt dat appellant vanaf eind 2003/begin 2004 niet meer onder medische en/of psychiatrische behandeling is geweest. De Raad acht voorts van belang dat de volgens appellant reeds vanaf zijn vijftiende jaar bestaande vermoeidheidsklachten hem niet hebben belet vanaf 1996 jarenlang te werken als elektricien en appellant bij beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid in het verleden nimmer melding heeft gemaakt van door hem ondervonden vermoeidheidsklachten. De Raad voegt hier aan toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische stukken heeft ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot het benoemen van een medisch deskundige.

De Raad is voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vallen binnen de grenzen van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

MK