Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-4653 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld: niet langer ongeschikt voor haar arbeid. Buikklachten en psychische klachten. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen toename van medische beperkingen ten opzichte van de WAO-beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4653 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 juli 2006, 06/101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, H. Inci. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster via een uitzendbureau. Op 5 augustus 2003 heeft zij zich ziek gemeld wegens rugklachten en hoofdpijn. Door het Uwv is geweigerd om aan appellante in aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Aan deze weigering lag primair het standpunt ten grondslag dat appellante weer geschikt was voor haar werk als productiemedewerkster. Voorts werd appellante geschikt geacht voor een aantal aan haar voorgehouden functies uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.

Appellante heeft zich per 6 juli 2005, op welk moment zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens diverse klachten, waaronder vermoeidheidsklachten, hoofdpijn, rugklachten en buikpijn. Naar aanleiding van deze ziekmelding is door de verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend psychotherapeut en de behandelend gynaecoloog. Na onderzoek op 13 oktober 2005 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante niet langer ongeschikt was voor de aan haar in het kader van de WAO voorgehouden functies.

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 14 oktober 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij per die datum niet langer ongeschikt was voor haar arbeid.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Op 12 december 2005 is appellante onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts, die op dezelfde datum een rapport heeft uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellante sinds langere tijd aspecifieke psychosomatische klachten heeft en dat sprake is geweest van een galactorrhoe en hyperprolactinaemie, die in augustus 2005 weer waren genormaliseerd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er voor het overige op internistisch en gynaecologisch terrein geen verklaring gevonden voor de door appellante ondervonden klachten. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om van een veranderde klinische situatie uit te gaan en dat de primaire medische beoordeling juist moet worden geacht.

Bij besluit van 13 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2005 ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische klachten, met name haar buikklachten en psychische klachten, zijn onderschat. Zij heeft hierbij onder meer een brief ingebracht van haar behandelend internist van 4 april 2006. Hierin is onder andere vermeld dat bij onderzoek een steatosis hepatis is geconstateerd, maar dat dit geen verklaring vormt voor de buikklachten van appellante. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig. Met het Uwv was de rechtbank van oordeel dat, gezien de beschikbare medische gegevens, aangenomen moet worden dat appellante op en na 14 oktober 2005 niet ongeschikt was in de zin van de ZW.

In hoger beroep heeft appellante zich wederom op het standpunt gesteld dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Hierbij heeft zij erop gewezen dat zij met name door haar buikklachten niet in staat is om arbeid te verrichten.

Het Uwv heeft naar voren gebracht dat voldoende rekening is gehouden met de buikklachten van appellante en dat ook de psychische klachten van appellante voldoende zijn meegewogen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat appellante in het kader van de WAO-beoordeling primair geschikt is geacht voor haar werk als productiemedewerkster. Dit werk, dat in een arbeidskundig rapport van 14 juli 2004 wordt omschreven als licht montagewerk, vormt dan ook de maatgevende arbeid in het kader van de ZW. De primaire verzekeringsarts heeft evenwel als maatstaf gehanteerd de voor appellante in het kader van de WAO-beoordeling passend geachte gangbare arbeid. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft dit werk als maatgevende arbeid aangemerkt en heeft vervolgens vastgesteld dat op 14 oktober 2005 geen sprake was van een toename van medische beperkingen. Bij brief van 17 januari 2008 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 12 december 2005, aangegeven dat, nu geen sprake is van een wijziging van de eerder vastgestelde belastbaarheid, ook het door appellante verrichte werk van productiemedewerkster geschikt wordt geacht.

De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben appellante onderzocht en hebben voorts de beschikbare medische informatie uit de behandelend sector meegewogen. Naar het oordeel van de Raad is het verrichte verzekerings-geneeskundige onderzoek, uit medisch oogpunt bezien, voldoende zorgvuldig geweest. De Raad is voorts van oordeel dat de beschikbare medische informatie geen aanleiding geeft om aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat op 14 oktober 2005 geen sprake was van een toename van medische beperkingen ten opzichte van de WAO-beoordeling, te twijfelen. De Raad volgt het standpunt van het Uwv dat appellante op deze datum niet meer ongeschikt was voor haar werk als productiemedewerkster. Het Uwv heeft dan ook terecht besloten om per 14 oktober 2005 geen ziekengeld meer te verlenen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

MH