Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-4772 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Elektromonteur. Lichte vorm van reflux-oesofagitis, die betrokkene niet ongeschikt maakte voor het verrichten van zijn eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4772 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 juli 2006, 05/8103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als elektromonteur, is voor dit werk op 18 oktober 2004 uitgevallen wegens maagklachten. Zijn arbeidsovereenkomst is per 4 januari 2005 geëindigd. Naar aanleiding van deze uitval heeft appellant op 25 april 2005 en 26 mei 2005 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft appellant op het laatste spreekuur per 9 juni 2005 hersteld verklaard voor zijn eigen werk.

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 9 juni 2005 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij met ingang van die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

In het kader van het door appellant tegen het besluit van 26 mei 2005 gemaakte bezwaar – waarbij hij heeft gesteld dat hij naast maagklachten ook last heeft van hyperventilatieklachten en psychische klachten – is hij gehoord en onderzocht door bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer. Na psychisch onderzoek en bestudering van de opgevraagde informatie van de behandelend sector, waaronder recente inlichtingen van de huisarts van appellant, heeft deze geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel.

Bij besluit van 8 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg opgeworpen grieven goeddeels herhaald waaronder de grief dat het Uwv nimmer de belasting in zijn functie van elektricien heeft onderzocht.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 maart 2006, gelet op de informatie van de maag-, darm- en leverartsen J.Y.L. Lai en R.A. Veenendaal van 9 januari 2006, kon stellen dat sprake is van een lichte vorm van reflux-oesofagitis die, indien deze ook op de datum in geding bestond, appellant niet ongeschikt maakte voor het verrichten van zijn eigen werk.

Daarnaast heeft appellant tijdens het spreekuur van 26 mei 2005, zoals blijkt uit de medische kaart van dezelfde datum, geen klachten geuit die wijzen op hyperventilatie. De verzekeringsarts heeft daarbij op basis van de anamnese aangetekend dat sprake is van een afname van de klachten ten opzichte van het vorige spreekuur van 25 april 2005. Nu uit de overgelegde informatie van de afdeling interne geneeskunde van het Rijnland ziekenhuis voorts blijkt dat appellant eerst op 29 juni 2005 de afdeling interne geneeskunde heeft bezocht in verband met hyperventilatie, is de Raad van oordeel dat – evenals de rechtbank heeft overwogen – hieruit volgt dat niet is gebleken dat de hyperventilatieklachten zich reeds op 9 juni 2005 voordeden. De verzekeringsarts heeft derhalve terecht kunnen concluderen dat appellant met ingang van 9 juni 2005 weer in staat moet worden geacht zijn eigen functie van elektromonteur te verrichten. Daarbij tekent de Raad aan dat de verzekeringsarts bij de beoordeling de beschikking had over de “praktische werkomschrijving” van 25 april 2005, waarin de belasting in de eigen functie van appellant voldoende duidelijk is omschreven.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

RJB