Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-4886 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW, omdat betrokkene niet meer ongeschikt is voor haar arbeid. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4886 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2006, 06/668 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is werkzaam geweest als telemarketeer voor 21 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Zij heeft zich per 21 juli 2004 ziek gemeld. Op deze datum heeft appellante een auto-ongeval gehad, waarna zij diverse lichamelijke en psychische klachten heeft ontwikkeld.

Op 14 september 2005 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW). De verzekeringsarts heeft op dezelfde datum gerapporteerd dat bij lichamelijk onderzoek en bij onderzoek van de psyche geen afwijkingen zijn geconstateerd. Volgens de verzekeringsarts bestond er een zeer forse discrepantie tussen de door appellante ondervonden klachten en de niet te objectiveren afwijkingen. Hij achtte appellante weer in staat haar oorspronkelijke arbeid te verrichten.

Bij besluit van 19 september 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 15 september 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW, omdat zij per die datum niet meer ongeschikt is voor haar arbeid.

In de bezwaarfase heeft appellante aangevoerd dat haar klachten zijn onderschat. Hierbij heeft zij onder meer een brief ingebracht van haar behandelend psychotherapeut J.M.E.P. Janssen van 5 juni 2005. Hierin wordt melding gemaakt van een depressieve stoornis en wordt cognitieve gedragstherapie voorgesteld, gericht op ontspanning, om leren gaan met pijnklachten en overwinning van angst voor autorijden. Appellante is op 12 december 2005 gehoord in bijzijn van de bezwaarverzekeringsarts, die op 13 december 2005 een rapport heeft uitgebracht. Hierin is vermeld dat de indruk bestaat dat appellante integer is en haar klachten reëel beleeft. Volgens de bezwaarverzekerings-arts zijn er op lichamelijk vlak geen aanwijzingen voor functiestoornissen of structurele afwijkingen. Voorts is aangegeven dat angstklachten inmiddels niet meer op de voorgrond staan en dat noch bij het primaire medische onderzoek noch tijdens de hoorzitting aanwijzingen zijn gevonden voor belangrijke stemmingsstoornissen dan wel cognitieve stoornissen. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante in staat moet worden geacht het fysiek lichte werk van telemarketeer gedurende vier uur per dag te verrichten.

Bij besluit van 14 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Hierbij heeft zij diverse medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft in reactie op deze stukken nadere rapporten van de bezwaarverzekerings-arts ingebracht en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

De primaire verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en heeft hierover uitgebreid gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de beschikbare medische informatie, waaronder de door appellante ingebrachte informatie uit de behandelend sector. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante gehoord tijdens de hoorzitting. De Raad is van oordeel dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. In hoger beroep heeft appellante onder meer een rapport ingebracht van de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen, die appellante op 19 maart 2007 heeft onderzocht. In dit rapport is, samengevat, vermeld dat sprake is van een licht chronisch laat postwhiplashsyndroom met mogelijk wat cognitieve elementen. Volgens Beijersbergen kan appellante slechts in beperkte mate het werk van telemarketeer uitoefenen, maar is de mogelijkheid om dit vier uur per dag te doen zeker aanwezig. De Raad volgt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat uit dit rapport niet kan worden opgemaakt dat appellante op de datum hier in geding, 15 september 2005, ongeschikt was voor haar arbeid. Voorts heeft appellante gewezen op haar psychische klachten. In dit verband heeft zij informatie overgelegd van haar behandelend psychotherapeut. Daarnaast heeft zij een rapport ingebracht van de psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle, die appellante op 2 juli 2007 heeft onderzocht. Als diagnose heeft Van Marle gesteld een aanpassingsstoornis met depressieve stemming en een depressieve stoornis in gedeeltelijke remissie. De bezwaarverzekeringsarts heeft in diverse rapporten, waaronder een rapport van 21 januari 2008, uiteengezet dat de beschikbare medische informatie onvoldoende aanwijzingen biedt om aan te nemen dat appellante op de hier aan de orde zijnde beoordelingsdatum, 15 september 2005, in verband met psychische beperkingen buiten staat was haar arbeid te verrichten. De Raad acht dit standpunt voldoende onderbouwd en onderschrijft dit.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

MH