Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-580 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Grote discrepantie tussen de klachten en geclaimde beperkingen en de objectief medische onderzoeksgegevens. Onvoldoende aanleiding om te besluiten een medische specialist als deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/580 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2005, 05/438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen & Scheers, advocaten en procureurs, te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 28 februari 2005 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van het Uwv van 8 oktober 2004 waarbij is geweigerd aan appellante per 28 juni 2004 een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% (4,5%) bedroeg.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om de juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit op bezwaar in twijfel te trekken.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ten tijde in geding geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid had en volledig beperkt was in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Voor het geval de Raad het niet aanstonds met haar eens is, heeft appellante de Raad gevraagd een medisch specialist als deskundige in te schakelen alvorens tot een oordeel te komen.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in de loop van de procedure in hoger beroep overgelegd een verklaring d.d. 23 maart 2006 van de haar sinds 11 januari 2005 in verband met haar rug- en nekklachten behandelende fysiotherapeute G. Kastenberg en een rapport d.d. 2 juli 2007 van psychiater A.M.A. Groot, die haar op haar verzoek heeft onderzocht, alsook een nader rapport d.d. 26 januari 2008 van Groot.

Het Uwv heeft ingebracht een nader arbeidskundig rapport d.d. 9 januari 2008 waarin de bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg per aan appellante voorgehouden functie op basis van door het (inmiddels naar aanleiding van de zogeheten CBBS-1-uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aangepaste) CBBS gegenereerde signaleringen is nagegaan of de belasting in de functie de belastbaarheid van appellante al dan niet overschrijdt. Vrijburg is gekomen tot enige bijstelling van de eerdere bevindingen en herschikking van functies in dezelfde sbc-codes, maar is gebleven bij de conclusie dat het verlies aan verdiencapaciteit ten tijde in geding minder dan 15% (2,8%) bedraagt.

Voorts heeft het Uwv ingebracht een rapport d.d. 13 augustus 2007 en een rapport d.d. 31 januari 2008 van bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren - van Delden, waarin deze heeft gereageerd op het rapport d.d. 2 juli 2007 respectievelijk het nadere rapport d.d. 26 januari 2008 van Groot.

De Raad deelt niet het standpunt van appellante en overweegt daartoe als volgt.

Appellante heeft louter medische grieven naar voren gebracht.

Dat er op basis van de tot dan met betrekking tot de situatie ten tijde in geding voorhanden medische gegevens geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid zoals bedoeld in het te dezen van toepassing zijnde Schattingsbesluit van 8 juli 2000, is door de bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren - van Delden genoegzaam gemotiveerd aangegeven in haar in beroep ingebrachte rapport d.d. 20 mei 2005. De sedertdien ingebrachte medische gegevens bevatten geen aanknopingspunt om te dien aanzien tot een andere conclusie te komen. Er is een duidelijke en grote discrepantie tussen enerzijds de door appellante geuite klachten en geclaimde beperkingen en anderzijds de objectief medische onderzoeksgegevens. De door appellante in hoger beroep ingebrachte verklaring van de fysiotherapeute Kastenberg heeft geen betrekking op de datum in geding en geeft evenmin aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de FML. Psychiater Groot heeft appellante circa drie jaar na de datum in geding (28 juni 2004) onderzocht en heeft gerapporteerd appellante op dàt moment te hebben aangetroffen in een dreigende ernstige depressieve toestand welke het resultaat is van afglijden van appellante in emotioneel en psychisch opzicht in de loop der jaren. De vervolgens door Groot getrokken conclusies over de verrichtingen waartoe appellante - op 8 oktober 2004 (besluit in primo) en 28 februari 2005 (besluit op bezwaar) in plaats van - op de datum thans in geding op medische gronden niet in staat was, vinden evenwel onvoldoende steun in de voorhanden (deels door de primaire verzekeringsarts H.M.L. Dauven, bij wie appellante op het spreekuur is geweest op 7 juli 2004, vlak na de datum in geding, vergaarde) objectieve medische gegevens en zijn ook overigens afdoende gemotiveerd weerlegd in het rapport d.d. 13 augustus 2007 van Van Kasteren - van Delden. Het commentaar van Groot d.d. 26 januari 2008 geeft mede gelet op de reactie daarop van Van Kasteren - van Delden d.d. 31 januari 2008 geen aanleiding tot een ander oordeel.

De voorhanden medische gegevens geven de Raad onvoldoende aanleiding om met betrekking tot de medische situatie waarin appellante ten tijde in geding verkeerde, te komen tot de twijfel die nodig is om te besluiten een medische specialist als deskundige in te schakelen.

Wat de aan de schatting ten grondslag liggende functies betreft is de Raad niet kunnen blijken dat die op enig onderdeel een overschrijding van de bij de FML vastgestelde medische belastbaarheid van appellante te zien geven. In hetgeen door de bezwaararbeidsdeskundige Vrijburg in hoger beroep is opgemerkt ten aanzien van die functies, welke door de primaire arbeidsdeskundige J.J. Holthuijsen in

september/oktober 2004 aan appellante zijn voorgehouden, ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor het trekken van de conclusie dat de motivering in medisch opzicht tot dan niet afdoende is geweest.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E. de Bree.

RJB