Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
06-2236 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. CBBS. Signaleringen. Eerst in hoger beroep afdoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2236 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 maart 2006, 05/503 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 3 november 2004 heeft appellant de aan betrokkene toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 januari 2005 herzien en vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraken van 13 januari 2006 (LJN: AU9706 en AU9709) overwogen dat ook in het onderhavige geval bij de geautomatiseerde vergelijking van beoordelingspunten van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met de daarmee overeenkomende punten van de functiebelasting markeringen ontbreken waar deze wel hadden moeten verschijnen. Het gaat om de situatie dat voor een beoordelingspunt van de FML de normaalwaarde geldt en de functie een bijzondere belasting kent op het overeenkomende punt van de functiebelasting. Als voorbeeld heeft de rechtbank erop gewezen dat voor betrokkene op het punt “huidcontact” (FML-rubriek 3, nummer 3) de normaalwaarde geldt, terwijl in de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding, bij 3.4.0. een bijzondere belasting geldt, namelijk: “wol”. Het resultaat functiebeoordeling toont hier echter geen markering. Ook op een groot aantal andere FML-beoordelingspunten geldt de normaalwaarde en bestaat er een bijzondere belasting op de daarmee overeenkomende punten van de functiebelasting, zonder dat een markering verschijnt. Daaruit vloeit volgens de rechtbank voort dat de geautomatiseerde vergelijking in dit geval onvoldoende zekerheid biedt of betrokkene op de punten die worden vergeleken geschikt is voor de geselecteerde functie. Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank bij ieder niet-matchend beoordelingspunt te worden toegelicht of de geselecteerde functies ook op dat punt geschikt is.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en acht de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies toereikend gemotiveerd.

Gezien het hoger beroepschrift van appellant en het achterwege blijven van verweer door betrokkene ziet de Raad aanleiding om het hoger beroep beperkt te achten tot de door appellant opgeworpen arbeidskundige grieven.

Met betrekking tot het door appellant gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN: AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN: AY9971, zijn uitspraken van 23 februari 2007, onder meer LJN: AZ9153 en zijn uitspraak van 6 april 2007, LJN: BA2860.

De Raad heeft - kort gezegd - overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit dienen te worden vernietigd indien niet uiterlijk bij de beslissing op bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Met betrekking tot het aangepaste CBBS is de Raad tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende, in zijn evengenoemde uitspraken van 9 november 2004 beschreven, onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven. In dit verband heeft de Raad overwogen het voldoende aannemelijk te achten dat het aangepaste CBBS, zowel bij matchende als bij niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde onderkent en signaleert. Dit zal zich doorgaans kunnen voordoen indien hij of zij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde.

In zijn uitspraak van 1 februari 2008, LJN: BC3237, heeft de Raad overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om dit oordeel niet langer juist te achten vanwege het gebruik in het CBBS van het begrip bijzondere belasting.

Voor de Raad staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene beperkt wordt geacht op een bepaald aspect, het zich voordoen van een bijzondere belasting in een functie op datzelfde aspect ertoe leidt dat die functie, zo deze niet automatisch door het systeem is verworpen, op het resultaat eindselectie steeds van een signalering wordt voorzien, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene op het betreffende punt.

Eveneens staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het CBBS toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde.

Voor de opvatting dat het CBBS vanwege het aspect bijzondere belastingen - nog steeds - mank gaat aan een structurele onvolkomenheid bestaat dan ook geen grond.

Wat betreft de signaleringen met een G heeft de Raad overwogen dat alle door het CBBS-systeem op de functiebelasting aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Het door appellant ingenomen standpunt dat het systeem de werkwijze ondersteunt waarbij in voorkomende gevallen nadere motivering door de (bezwaar)arbeidsdeskundige achterwege kan worden gelaten, dat het systeem inzichtelijk is en daarmee ook de werkwijze om bepaalde signaleringen niet nader te motiveren aanvaardbaar is, kan de Raad dan ook niet onderschrijven.

Bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee heeft in de rapportage van 16 november 2005, aangevuld met de rapportage van 3 oktober 2007, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies besproken en alle in die functies voorkomende signaleringen alsnog van een toelichting voorzien. Ten aanzien van de belasting op het onderdeel 5.9.1. van de FML (afwisselend zittend, lopend, staand werk) bij de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) heeft de bezwaararbeidsdeskundige opgemerkt dat deze signalering niet bezwaarlijk is omdat in deze functie wordt afgewisseld tussen zitten, staan en lopen. Gelet op de belasting in deze functies op de onderdelen zitten, staan en lopen, zoals weergegeven in het resultaat functiebeoordeling, acht de Raad aannemelijk dat in deze functie gedurende alle uren van de werkdag een voldoende mate van afwisseling van zitten, staan en/of lopen voorkomt en dat ook deze functie in overeenstemming is met de beperkingen van betrokkene.

De vaststelling dat het bestreden besluit eerst is voorzien van een deugdelijke onderbouwing nadat de beslissing op bezwaar was genomen leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank, zij het op volstrekt andere gronden, het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

JL