Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
05-4055 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Niet meer aan te merken als werknemer. Nawerking? Wanneer arbedsongeschikt geworden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4055 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2005, 04/3632 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was sinds 6 december 2001 werkzaam als dakdekker bij [naam werkgever] tot aan zijn uitval op 21 maart 2003. Bij besluit van 6 mei 2003 heeft het Uwv aan betrokkene meegedeeld dat hij op 21 maart 2003 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. Met ingang van 15 mei 2003 is de arbeidsovereenkomst van betrokkene beëindigd. Op 16 juni 2003 is betrokkene begonnen met een behandelingsprogramma voor agressiegerelateerde problematiek bij de Zorggroep Intensieve en Forensische Psychiatrie van de Stichting GGzE.

In geding is de ziekmelding namens betrokkene op 5 januari 2004 met terugwerkende kracht per 15 mei 2003.

Bij besluit van 23 september 2004 is aan betrokkene meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW omdat hij niet als werknemer in de zin van deze wet kon worden beschouwd en hij zodoende niet verzekerd is voor de ZW. Evenmin kan betrokkene volgens het Uwv aanspraak maken op ziekengeld op grond van artikel 46 van de ZW, omdat hij laatstelijk verzekerd was op 14 mei 2003 en zijn ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid in verband met de gevolgde therapie is ontstaan op 16 juni 2003 en deze datum ligt buiten de nawerkingsperiode genoemd in artikel 46 van de ZW.

Bij besluit van 26 november 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is aangevoerd dat betrokkene kort voor 15 mei 2003 dermate depressief en chaotisch is geworden dat hij onmogelijk kon functioneren en niet tot arbeid in staat was, de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat er geen expertise door een psychiater heeft plaatsgevonden en de aangeleverde informatie van de behandelaar niet als een gekwalificeerde rapportage kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene vanaf 16 juni 2003 door de verzekeringsarts arbeidsongeschikt werd geacht wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid vanwege het volgen van therapie. Dit impliceert volgens de rechtbank dat wanneer de therapie een paar dagen eerder gestart zou zijn, betrokkene mogelijk wel een beroep had kunnen doen op de nawerkingsbepaling van artikel 46 van de ZW, terwijl de datum van het starten van de therapie volgens de rechtbank niets zegt over de ingangsdatum van de (mogelijke) arbeidsongeschiktheid van betrokkene. De rechtbank acht het niet bij voorbaat uitgesloten dat betrokkene enkele dagen voor het starten van de therapie eveneens arbeidsongeschikt was, de intakegesprekken voor de therapie vonden immers al eerder plaats. Omdat het Uwv hier geen aandacht aan heeft besteed en met name geen onderzoek heeft gedaan naar de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis in de periode na 14 mei 2003, ontbeert het bestreden besluit volgens de rechtbank een draagkrachtige motivering en is het besluit genomen in strijd met de zorgvuldigheid, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene in zoverre gegrond verklaard.

Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Volgens appellant is er zorgvuldig onderzoek verricht naar de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis. Dit onderzoek bestond uit eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, waarbij tevens informatie van de huisarts en de behandelend psycholoog in overweging is genomen. Aan de hand van dit onderzoek is duidelijk gemotiveerd dat er bij betrokkene op 15 mei 2003 of binnen een maand daarna, geen sprake was van een psychiatrische stoornis. De ongeschiktheid tot arbeid die is aangenomen per 16 juni 2003 is volgens appellant een gevolg van de door betrokkene gestarte therapie en is niet het gevolg van een vastgestelde stoornis.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en gebreken, recht op ziekengeld. Betrokkene was op

15 mei 2003 geen werknemer meer zoals omschreven in artikel 3 van de ZW. Daarnaast had betrokkene zijn aanvraag ingevolge de Werkloosheidswet ingetrokken, zodat hij op grond van artikel 7 van de ZW ook niet als werknemer kon worden aangemerkt. Ingevolge artikel 46 van de ZW is op betrokkene een periode van nawerking van toepassing van een maand en kan betrokkene bij intreden van arbeidsongeschiktheid in deze periode aanspraak maken op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of betrokkene in deze periode ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid als dakdekker.

In het kader van de Ziektewetbeoordeling geeft verzekeringsarts J.M.M.R. Cools in de rapportage van 19 mei 2004 aan dat betrokkene al jaren bekend is met relationele problematiek, agressie problemen, gokverslaving en alcoholverslaving. Ondanks deze problematiek heeft betrokkene volgens de verzekeringsarts jaren arbeid verricht, waarvan de laatste jaren als dakdekker. De verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij huisarts P.P.F.M. van Eerdenbrugh en psycholoog F.A.J.M. Vermeulen. Volgens het verslag van het telefonisch overleg tussen de verzekeringsarts en psycholoog Vermeulen in de rapportage van de verzekeringsarts van 10 juni 2004 was betrokkene frequent afwezig bij de behandeling en is deze op 11 juli 2003 beëindigd. In de rapportage van

7 juli 2004 komt de verzekeringsarts tot de conclusie dat er geen nieuwe medische gegevens zijn waaruit blijkt dat de toestand van betrokkene dermate gewijzigd is dat hij per 15 mei 2003 of binnen vier weken na deze datum ongeschikt was voor zijn arbeid als dakdekker. Wel was betrokkene volgens de verzekeringsarts gedurende de periode dat hij een behandelingsprogramma bij de GGzE volgde, ongeschikt voor arbeid omdat het onmogelijk was om deze therapie te combineren met arbeid.

Volgens bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer is er geen aanleiding voor een psychiatrisch deskundigenonderzoek en was de verzekeringsarts deskundig genoeg om op basis van eigen onderzoek, de gegevens van de huisarts en de informatie van de psycholoog tot de medisch voldoende inzichtelijke en onderbouwde conclusie te komen dat er op 15 mei 2003 en binnen een maand nadien, hoewel betrokkene in verband met zijn persoonlijkheidsstructuur problemen ondervond, geen sprake was van een psychiatrische stoornis in engere zin met ongeschiktheid tot arbeid als gevolg.

De Raad kan de overweging van de rechtbank dat de intakegesprekken en de vanaf

16 juni 2003 gevolgde therapie aanleiding hadden moeten vormen voor een nader medisch onderzoek naar de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis in een eerdere fase, niet volgen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de gevolgde therapie bestond uit een behandelingsprogramma voor agressiegerelateerde problematiek op initiatief van de reclassering na een verdenking van mishandeling en bedreiging door betrokkene van zijn (ex-)vriendin. Verzekeringsarts Cools heeft in de rapportage van 19 mei 2004 aangegeven dat betrokkene al jaren bekend is met relationele problemen, agressieproblemen, gokverslaving en alcoholverslaving. Dit beeld wordt volgens de Raad bevestigd door de huisarts van betrokkene en psycholoog Vermeulen. Door betrokkene zijn geen medische gegevens in geding gebracht die wijzen op de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis in de onderhavige periode. Betrokkene heeft ondanks de aangegeven problemen duurzaam kunnen werken; van 6 december 2001 tot 21 maart 2003 heeft hij als dakwerker gewerkt en daarvoor heeft hij ook aaneengesloten perioden arbeid kunnen verrichten. In het dossier zijn volgens de Raad onvoldoende aanknopingspunten te vinden om te kunnen oordelen dat betrokkene in de in geding zijnde periode evenmin zijn arbeid kon verrichten. Dat betrokkene ingevolge artikel 46 van de ZW aanspraak had kunnen maken op ziekengeld als de therapie enkele dagen eerder was aangevangen kan daar naar het oordeel van de Raad geen verandering in brengen.

In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen is de Raad tot het oordeel gekomen dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat betrokkene in de geding zijnde periode ongeschikt is geworden voor zijn arbeid als dakdekker.

De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

JL