Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
05-5413 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag juist? Voldoende rekening gehouden met beperkingen ten aanzien van concentratie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5413 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2005, 04/5103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Scholtus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 30 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 augustus 2003 ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 5 juli 2004 heeft de rechtbank het besluit van 29 augustus 2003 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank – kort samengevat en voor zover in het kader van deze procedure van belang – overwogen dat een weergave van een overleg tussen de (bezwaar)arbeidsdeskundige en de (bezwaar)verzekeringsarts, waaruit blijkt dat de tot SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie, samenstellen van producten) behorende functies het concentratievermogen van appellant niet te boven gaan, ontbreekt. Gelet op het feit dat in genoemde functies zeer nauwkeurig moet worden gewerkt (priegelwerk), de eisen die in de functie printmonteur aan het geheugen worden gesteld en de voor appellant aangenomen beperkingen op de aspecten concentreren, het verdelen van de aandacht en het geheugen, was de rechtbank van oordeel dat deze functies niet zonder een nadere motivering aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 21 oktober 2004 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit) genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 30 april 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, waarbij de rechtbank evenwel aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de functies met SBC-code 111180 niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd, nu in deze functies de belastbaarheid van appellant wordt overschreden. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant hier nog aan toegevoegd dat de bezwaarverzekeringsarts, door te stellen dat appellants klachten op zich geen geheugenstoornissen geven, de beperkingen terzake van het herinneren op ontoelaatbare wijze in twijfel heeft getrokken. Daarnaast stelt appellant dat de functie met functienummer 3693-9998-002 niet voldoende actueel is.

Wat betreft de motivering van de medische geschiktheid van de functies met SBC-code 111180 stelt de Raad vast dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 2004, middels de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband en de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven van respectievelijk 14 september 2004 en

15 september 2004 nader heeft gemotiveerd waarom deze functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd. Blijkens deze rapporten heeft overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts plaatsgevonden, waarbij zij tot de conclusie zijn gekomen dat de belastbaarheid van appellant in geen van de functies op de aspecten “het zich niet langer dan een half uur concentreren op één informatiebron”, “het niet langer dan een half uur de aandacht verdelen” en “het regelmatig apart opschrijven van dingen als geheugensteun om de continuïteit van het handelen te waarborgen”, wordt overschreden.

Naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van de Raad heeft het Uwv middels het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen van 20 augustus 2007 nog een aanvullende toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de functie met functienummer 3693-3333-001. Hogeveen komt tot de conclusie dat appellant zeer wel in staat is het bij de functie behorende productieproces, dat bestaat uit kortdurende handelingen waarbij appellant zelf de montageopstelling verzorgt en waarbij bij kortdurende onderbrekingen geen schade wordt aangebracht, te volbrengen.

De Raad heeft geen aanleiding gezien de nadere motivering van het Uwv voor onjuist te houden. Appellants ter zitting ontwikkelde betoog dat bezwaarverzekeringsarts Greven zijn beperkingen ten aanzien van herinneren op ontoelaatbare wijze in twijfel heeft getrokken, miskent dat uit de gedingstukken niet is gebleken van een geheugenstoornis, zodat ook deze grief geen doel treft.

Ten aanzien van de actualiteit van de functie met functienummer 3693-9998-002 overweegt de Raad dat, ook wanneer deze functie zou vervallen, binnen SBC-code 111180 voldoende arbeidsplaatsen resteren om de schatting op te kunnen baseren, zonder dat dit gevolgen zou hebben voor appellants mate van arbeidsongeschiktheid.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 2004 en dat de aangevallen uitspraak derhalve, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

JL