Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
06-2915 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Systematiek van korting van vakantiegeld wegens inkomsten uit arbeid. Geen sprake van schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2915 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 mei 2006, 05/1832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Ch.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als lasser/bankwerker toen hij zich op 14 september 1998 ziek meldde. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant bij besluit van 20 oktober 1999, in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 13 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In verband met inkomsten uit arbeid is deze uitkering met ingang van 1 maart 2000 niet tot uitbetaling gekomen. Bij afzonderlijke besluiten van 26 november 2003 heeft het Uwv bepaald dat vanwege die inkomsten de uitkering met ingang van 1 augustus 2001 en van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2002 wordt betaald alsof appellant 15 tot 25% arbeidsongeschikt is.

Het Uwv heeft bij besluit van 4 mei 2004 appellant meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 1 februari 2002 eveneens wordt betaald alsof appellant 15 tot 25% arbeidsongeschikt is en met ingang van 1 maart 2002 niet meer wordt betaald. Tevens is appellant bij dit besluit wat betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO geïnformeerd over de gevolgen van de Regeling Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid voor de hem met ingang van 16 mei 2002 verstrekte werkloosheidsuitkering. Het tegen het besluit van 4 mei 2004 namens appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 augustus 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 9 augustus 2005 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant wat betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO vanaf 1 februari 2002 in essentie uitsluitend hetzelfde aangevoerd als in bezwaar en beroep eveneens als enige grond is aangevoerd. Het komt er – kort gezegd – op neer dat appellant zich keert tegen de door het Uwv bij de toepassing van het kortingsartikel 44 van de WAO vanwege inkomsten uit arbeid gehanteerde systematiek welke inhoudt dat het aan appellant toekomende vakantiegeld, dat jaarlijks in mei wordt uitbetaald, niet slechts in die maand in de korting wordt betrokken maar dat het vakantiegeld naar rato van de opbouw per maand over de periode waarop het vakantiegeld ziet, in de korting per maand wordt meegenomen. In beroep en hoger beroep heeft appellant voorts gesteld dat als gevolg van de lange duur van de besluitvorming op het bezwaar van appellant sprake was van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad, evenals de rechtbank zich beperkend tot deze punten van geschil, overweegt als volgt.

De rechtbank heeft over de toepassing van artikel 44 van de WAO in het geval van appellant het volgende overwogen.

“De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat eisers maatmanloon is berekend inclusief vakantietoeslag. Gelet op de systematiek van de WAO, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de betaling van de uitkering (onder meer) wordt bepaald door een vergelijking van het maatmaninkomen met hetgeen de verzekerde kan verdienen dan wel verdient aan inkomsten uit arbeid, vloeit voort dat, wanneer in het maatmaninkomen een vakantietoeslag is begrepen, voor een juiste vergelijking, de vakantietoeslag eveneens dient te worden meegeteld bij het inkomen uit arbeid. Dat verweerder de vakantietoeslag heeft meegeteld bij eisers inkomsten uit arbeid hoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet te worden gebaseerd op specifiek op die situatie toegesneden wettelijke bepalingen of beleid. Uit deze overwegingen volgt dat de namens eiser gestelde strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van verbod op willekeur niet kan slagen.”

De Raad onderschrijft dit oordeel en voegt daar aan toe dat dit oordeel geheel in lijn ligt met hetgeen hij in een vergelijkbaar geval ten aanzien van de systematiek van korting van vakantiegeld heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN BC4068).

Wat betreft de grief van appellant, welke ziet op overschrijding van de redelijke termijn bij de besluitvorming van het Uwv in de bezwaarprocedure en welke grief door de rechtbank is verworpen, overweegt de Raad in lijn met bijvoorbeeld zijn uitspraak van 19 februari 2008 (LJN BC4761) dat, gelet op de totale duur van de procedure vanaf het maken van bezwaar op 10 mei 2004 tot aan de datum van deze uitspraak en de aard van de procedure, reeds geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Raad kan in dit verband daarlaten de betekenis van het aandeel in het tijdsverloop van het Uwv voor de vraag of sprake is van een schending als evenbedoeld. Daarbij wijst de Raad er nog op dat voor de vaststelling van de lengte van de procedure niet bepalend is op welke bezwaar het geschil betrekking heeft, maar dat in beginsel als standpunt dient te worden genomen het moment waarop bezwaar is gemaakt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst. Hetzelfde geldt voor de gevraagde proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL