Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
06-3524 WAO + 06-3905 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Intrekking WAO-uitkering. FML. Nadere motivering in hoger beroep. Maximering maatman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3524 WAO, 06/3905 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

en van

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 mei 2006, 05/6360 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Sol, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingetrokken met ingang van 8 april 2005. Bij besluit van 6 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 februari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt. Voor benoeming van een onafhankelijke deskundige zag de rechtbank geen aanleiding.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de aanpassingen in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zoals deze door het Uwv zijn doorgevoerd, niet geheel voldoen aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid die aan het CBBS gesteld moeten worden en dat er nog steeds sprake is van een structurele tekortkoming. De rechtbank heeft geconstateerd dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 22 september 2005 niet alle door het systeem gesignaleerde eventuele knelpunten en mogelijke overschrijdingen heeft voorzien van een motivering waarin de beweegredenen zijn vermeld om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt te achten voor appellant. Deze arbeidskundige onderbouwing, die ziet op zowel de met M als met G gemarkeerde items, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht in de toetsing van de voorliggende schatting. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 18 april 2006 is ingegaan op de brief van de psycholoog drs. A. Vogel van 31 maart 2006, bij wie appellant zich op 2 juni 2005 opnieuw onder behandeling heeft gesteld. De Raad ziet geen reden de visie van de bezwaarverzekeringsarts dat bij de omschrijving van de belastbaarheid van appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant voor onjuist te houden.

De Raad overweegt voorts dat de verzekeringsarts in de FML onder 2.1 een beperking heeft opgenomen in verband met de visusklachten van appellant. Dit levert in de functie chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) een knelpunt op, gemarkeerd met M. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 11 november 2004 blijkt dat de oogklachten appellant niet belemmeren bij het autorijden. In de notities functiebelasting van 11 november 2004 is aangegeven dat de beperking ten aanzien van zien geen probleem oplevert voor de uitoefening van de chauffeursfunctie. Naar aanleiding van de rapportage van de oogarts P.A.W. Lindenburg, die appellant in beroep heeft overgelegd, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 14 december 2005 de gevolgen van de oogklachten voor het functioneren van appellant besproken. De conclusie luidt dat de daling van het gezichtsvermogen niet van invloed is op zijn functioneren terwijl er geen beletsel is voor autorijden.

De Raad is gelet op de beschikbare medische gegevens met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldige medische beoordeling ten grondslag ligt.

Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies stelt de Raad vast dat het Uwv in hoger beroep een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 juli 2006 heeft overgelegd, waarin de geschiktheid van de resterende voor appellant geschikt geachte functies (nogmaals) is gemotiveerd. Daarbij is zowel op de met M als op de met G gemarkeerde punten een toelichting gegeven. Hiermee is naar het oordeel van de Raad een deugdelijke en volledige motivering gegeven op alle daarvoor in aanmerking komende beoordelingspunten. De Raad stelt dan ook vast dat appellant in staat moet worden geacht op de datum in geding, 8 april 2005, de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen, te weten gastheer gemeentelijk museum (sbc-code 342021), meteropnemer gas, warmte, elektra (sbc-code 315181) en service chauffeur linnenverhuurmaatschappij (sbc-code 282101).

Het Uwv heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd de rechtbank niet te kunnen volgen in haar kritiek op de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 september 2005. In zijn uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971) heeft de Raad overwogen dat alle door het systeem aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien. Het betoog van het Uwv treft dan ook geen doel.

Ter zitting van de Raad is namens het Uwv naar voren gebracht dat bij de onderhavige schatting ten onrechte de maatman is gemaximeerd op 38 uur per week. Dit moet 43,08 uur zijn, zoals door de arbeidsdeskundige is vastgesteld. Dit levert een wijziging van de op de resterende verdiencapaciteit toe te passen reductiefactor op. Het mediane loon wordt dan € 10,18 per uur. Uitgaande van een maatmanloon van € 12,13 wordt de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 19,14%. Dit moet leiden tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de aan appellant toegekende WAO-uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 april 2005 wordt herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand en op € 17,32 aan reiskosten, in totaal € 983,32. Over de proceskosten van appellant in eerste aanleg heeft de rechtbank reeds beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Stelt vast dat de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 8 april 2005 wordt herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 983,32, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt;

Bepaalt dat van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

JL