Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
06-423 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Angststoornis in remissie. Geen lichamelijk onderzoek. Geen onzorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/423 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 december 2005, 04/1164 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Koopman, werkzaam bij de CMHF te Leidschendam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 oktober 2007 heeft mr. O.W. Borgeld, eveneens werkzaam bij de CMHF, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Bij brief van 13 november 2007, met als bijlage een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema van 9 november 2007, heeft het Uwv een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Borgeld voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Na wegens depressieve klachten te zijn uitgevallen voor zijn werkzaamheden als hoofd logistiek, is appellant met ingang van 16 mei 1994 door een rechtsvoorganger van het Uwv in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge (onder meer) de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een zogenoemde vijfdejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts J.V. Koops een expertise laten uitvoeren door de zenuwarts C.J.F. Kemperman. Laatstgenoemde tekende in zijn rapport van 26 maart 2004 aan dat er geen sprake was van psychopathologische symptomatologie in engere zin. Volgens de DSM-IV-TR-systematiek kon het beeld zijns inziens worden geclassificeerd als een angststoornis in remissie. Kemperman kwam tot de conclusie dat er op grond van de gestelde psychiatrische diagnose geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid konden worden aangegeven. Mede op basis van de bevindingen en conclusies van Kemperman heeft Koops, zoals blijkt uit zijn rapport van 10 juni 2004, appellant daarop geschikt geacht voor niet al te zwaar belastende werkzaamheden in een positieve werksfeer, zoals nader uitgewerkt in een Functionele Mogelijkheden Lijst van eveneens 10 juni 2004.

Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige J.A. Nicolai, blijkens zijn rapport van 20 augustus 2004, voor appellant geschikte functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 41%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 24 augustus 2004 appellants WAO-uitkering met ingang van 25 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart gebracht. Blijkens zijn rapport van 11 november 2004 zag Peerden, die aanwezig was bij de hoorzitting, bij zijn observatie geen aanwijzingen voor psychopathologie in engere zin. Peerden meende dat appellant zeker niet tekort was gedaan met de primaire beoordeling, nu Koops ondanks Kempermans bevindingen niettemin enkele beperkingen voor appellant aangewezen had geacht. Peerden tekende aan dat appellants moeheid niet kon worden verklaard vanuit een duidelijk organisch substraat. Chronische vermoeidheidsklachten zijn zeer zelden middels lichamelijk onderzoek te objectiveren. Dit in aanmerking genomen, alsmede de voor een fysieke afwijking aspecifieke anamnese, heeft de primaire verzekeringsarts volgens Peerden kunnen afzien van een lichamelijk onderzoek. Peerden kwam tot de slotsom dat er op stoornisniveau, zowel psychiatrisch als somatisch, sprake was van een vrij marginale externe consistentie, zodat moest worden geconcludeerd dat de voor appellant vastgestelde beperkingen naar aard en mate voldoende tegemoet kwamen aan de bij hem feitelijk aanwezige pathologie. Vanuit diezelfde overweging kon er in de visie van Peerden geen sprake zijn van een urenbeperking. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2004, hierna: het bestreden besluit, aan appellant meegedeeld dat het besluit van 24 augustus 2004 niet wordt herroepen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verlopen en dat de medische belastbaarheid van appellant bij het bestreden besluit niet is overschat maar dat de motivering waarom appellant geschikt wordt geacht voor de geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde. Omdat in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van 's Raads uitspraak van 9 november 2004, RSV 2004, 351 met betrekking tot het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand worden gelaten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het hoger beroep keert zich – gemotiveerd – tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van appellant voorts gesteld dat de geduide functies niet zijn berekend voor de belastbaarheid van appellant.

Ter beantwoording staat de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen ter zake van de aangevallen uitspraak.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

De Raad onderschrijft volledig de door de bezwaarverzekeringsarts Peerden gegeven uiteenzetting, dat en waarom de (primaire) verzekeringsarts in het onderhavige geval heeft kunnen afzien van het instellen van een lichamelijk onderzoek. De Raad ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellants grief dat hem in strijd met artikel II.10 van de door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie uitgevaardigde Beroepscode voor psychiaters niet is verteld waarom het onderzoek door Kemperman heeft plaatsgevonden, mist naar het oordeel van de Raad feitelijke grondslag. Het rapport van Kemperman vermeldt immers uitdrukkelijk op bladzijde 1 dat het doel van het onderzoek met appellant is besproken. De Raad ziet geen reden aan deze mededeling te twijfelen. Voor zover appellant betoogt dat het door Kemperman, onderscheidenlijk Koops uitgevoerde onderzoek slechts zeer kort heeft geduurd, wijst de Raad er, de juistheid van appellants stellingen in het midden latend, op dat in het algemeen uit de duur van een medisch onderzoek niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de vraag of een dergelijk onderzoek volledig en voldoende is geweest. Dit betoog slaagt derhalve evenmin. De Raad moet ten slotte vaststellen dat appellant er (ook) in hoger beroep niet in is geslaagd met enig medisch gegeven te onderbouwen waarom de – uitgebreid en inzichtelijk gemotiveerde – bevindingen en/of conclusies van Kemperman (inhoudelijk) niet juist zouden zijn. Al met al heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. Daarbij heeft de Raad mee laten wegen dat de bezwaararbeidsdeskundige Stiekema in zijn rapport van 9 november 2007 nog een aanvullende toelichting heeft gegeven op de geschiktheid van de geduide functies voor appellant. Aan de grief van appellant dat het gebruik van het medicijn Zoloft in de weg zou staan aan de functie chauffeur (vrachtauto) en aan enkele andere voor hem geselecteerde functies gaat de Raad voorbij, nu het Uwv in verband met de door appellant gebruikte medicatie geen beperkingen heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts Peerden heeft in zijn rapport van 11 november 2004 het bestaan van mogelijke bijwerkingen van dit medicijn op de datum in geding immers gemotiveerd weerlegd. Appellants bezwaren tegen de functie medewerker tuinbouw kunnen ten slotte buiten bespreking blijven, nu deze functie aan de uiteindelijke schatting niet ten grondslag is gelegd.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL