Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-5487 AW en 07-1157 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functie opgeheven bij reorganisatie. Eervol ontslag na lange herplaatsingsprocedure zonder resultaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5487 AW en 07/1157 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 augustus 2006, 05/2388 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Vice-president van de Raad van State (hierna: vice-president)

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft de vice-president op 8 november 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De vice-president heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. De vice-president heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen, werkzaam bij Vijverberg Juristen BV te Zoetermeer, en D. Zandboer, werkzaam bij de Raad van State.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1976 werkzaam bij de Directie Bestuursrechtspraak van de Raad van State, laatstelijk in de functie van sectiechef. Als gevolg van de reorganisatie van de Directie Bestuursrechtspraak per 1 november 2000 is de functie van sectiechef opgeheven en is appellant aangewezen als herplaatsingskandidaat. Appellant is niet geplaatst op een bij de Raad van State vacante functie. Met ingang van 1 november 2000 is met behulp van een extern adviesbureau naar een nieuwe functie gezocht. De herplaatsingstermijn eindigde aanvankelijk op 1 mei 2002. Bij brief van 29 januari 2002 is kenbaar gemaakt dat de toetsingscommissie bedoeld in onderdeel 3.13 van het Sociaal Plan Directie Bestuursrechtspraak 2000 (hierna: Sociaal Plan) na ommekomst van de herplaatsings-termijn een advies zal uitbrengen en dat de herplaatsingstermijn tot die tijd zal worden verlengd. Op 21 augustus 2002 heeft de toetsingscommissie advies uitgebracht. Zij heeft geconcludeerd dat zowel appellant als de vice-president hun verplichtingen onvoldoende zijn nagekomen. Daarom is geadviseerd de herplaatsingstermijn tot 1 januari 2003 te verlengen en gebruik te maken van een (ander) extern bureau. Bij besluit van 18 oktober 2002 is de herplaatsingstermijn tot 1 januari 2003 verlengd en is besloten, overeenkomstig het advies, outplacementbegeleiding te laten plaatsvinden door het externe bureau Kans.

1.2. Bij besluit van 20 december 2002 is aan appellant ingevolge artikel 96, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 1 april 2003 eervol ontslag verleend. Naar aanleiding van het advies van de Bezwarenadviescommissie van de Raad van State is de toetsingscommissie opnieuw om advies gevraagd. Aan appellant is daarna een regeling aangeboden, die aan de toetsingscommissie is voorgelegd. Het aanbod hield in: herstel van het dienstverband met ingang van 1 april 2003, nabetaling van het salaris vermeerderd met de wettelijke rente, extra herplaatsingsinspanningen tot 1 september 2004 en toekenning van een stimuleringspremie indien appellant voor de laatstgenoemde datum een betrekking vindt. De toetsingscommissie heeft in haar advies van 23 april 2004 de aangeboden regeling passend geacht, indien daarbij een herplaatsingstermijn tot

1 december 2004 in acht zou worden genomen.

1.3. De vice-president heeft vervolgens op 3 december 2004 aan appellant het voorstel gedaan om, na intrekking van het ontslag per 1 april 2003, per 1 januari 2005 in dienst te treden bij P&O Services Detachering BV met een uitkeringsgarantie bij (tussentijds) ontslag. Appellant heeft dit aanbod afgewezen. Bij besluit van 28 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) is het ontslag met ingang van 1 april 2003 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan de vice-president de opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de vice-president weliswaar bevoegd was om aan appellant ontslag te verlenen, maar dat hij, in verband met de hernieuwde voorlegging aan de toetsingscommissie, het ontslag niet alsnog per 1 april 2003 had mogen verlenen. Een ontslag per 1 december 2004 zou wel stand kunnen houden.

3. Bij het in rubriek I vermelde besluit van 8 november 2006 heeft de vice-president naar aanleiding van de aangevallen uitspraak het ontslag gehandhaafd, met dien verstande dat eerst met ingang van 1 december 2004 eervol ontslag wordt verleend.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het aanbod van indiensttreding bij P&O Services Detachering BV geen passende functie betreft en dat de toetsings-commissie niet is gehoord over het aan hem op 3 december 2004 gedane en door hem verworpen aanbod. Om deze redenen had de rechtbank volgens appellant het bestreden besluit wegens een zorgvuldigheidsgebrek moeten vernietigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Niet in geschil is dat appellants functie is opgeheven bij een reorganisatie, dat er bij de Raad van State geen passende functies beschikbaar zijn en dat appellant niet meer binnen de Raad van State wil terugkeren.

5.2. De toetsingscommissie heeft op 21 augustus 2002 geadviseerd de herplaatsings-termijn te verlengen tot 1 januari 2003 en de begeleiding van appellant te intensiveren. Dit advies is door de vice-president opgevolgd. Naar aanleiding van het door appellant tegen het ontslagbesluit van 20 december 2002 gemaakte bezwaar, heeft de vice-president een regeling aangeboden, die aan de toetsingscommissie is voorgelegd. De toetsings-commissie heeft deze regeling in haar advies van 23 april 2004 passend geacht, indien daarbij een herplaatsingstermijn tot 1 december 2004 zou worden vastgesteld.

De Raad stelt vast dat de toetsingscommissie dus een tweetal adviezen heeft uitgebracht omtrent de wijze waarop de vice-president voornemens was het dienstverband met appellant te beëindigen. Hiermee was voldaan aan de voorschriften van het Sociaal Plan.

5.3. Het voorstel dat de vice-president daarna op 3 december 2004 nog heeft gedaan, ziet de Raad als een uiterste poging om hangende het bezwaar toch nog met instemming van beide partijen tot een andere wijze van beëindiging van het dienstverband te komen dan door het eenzijdig ontslag dat reeds voorlag. Dat dit voorstel het karakter had van een aanbod om door middel van een minnelijke regeling het bestaande geschil te beslechten, blijkt ook hieruit dat acceptatie van het aanbod zou inhouden dat appellant alle lopende bezwaar- en beroepsprocedures zou intrekken en dat bij niet-acceptatie de eenzijdige besluitvorming door de vice-president zou worden voortgezet. Voorts betreft het een aanbod om bij een externe werkgever in dienst te treden, maar een concrete functie is daarin niet genoemd. Het gaat bij dit aanbod dus ook niet om het aanbieden van een passende functie, als bedoeld in onderdeel 3.8. van het Sociaal Plan, die appellant als herplaatsingskandidaat verplicht was te aanvaarden. De Raad leest in het Sociaal Plan geen verplichting voor de vice-president om over een in dit stadium gedaan voorstel als het onderhavige nog weer het advies van de toetsingscommissie te vragen. Na de verwerping door appellant van dit voorstel was dit vervallen en kon de vice-president terugvallen op de wijze van beëindiging van het dienstverband waaromtrent de toetsingscommissie reeds had geadviseerd.

6. Gelet op het vorenstaande was de vice-president bevoegd appellant op de gebezigde grond te ontslaan. De Raad ziet, mede gelet op de lange duur van de herplaatsingsprocedure, in het betoog van appellant geen aanknopingspunten voor de conclusie dat van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik kon worden gemaakt.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de door appellant aangevoerde grieven geen doel treffen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.1. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 8 november 2006, waarbij uitsluitend de ingangsdatum van het ontslag is gewijzigd in 1 december 2004.

8.2. De Raad stelt vast dat appellant tegen het nieuwe besluit van 8 november 2006 geen andere grieven heeft aangevoerd dan tegen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Nu uit het vorenstaande volgt dat deze grieven niet slagen moet het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het nieuwe besluit van

8 november 2006 ongegrond worden verklaard.

9. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 8 november 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get. H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BW