Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-5882 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens werkweigering na hersteldverklaring. Opgelegde straf van disciplinair ontslag is niet onevenredig aan aard en ernst van de verweten gedraging.Geen sprake van eenmalige opwelling, expliciet gewaarschuwd voor gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5882 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 september 2006, 06/326 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E Hoekstra, werkzaam bij ABVAKABO FNV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk en W.J. Jansen, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1994 werkzaam bij de Koninklijke marine (KM), laatstelijk als [functie] scheepsbouw bij het Marinebedrijf te Den Helder. Op 17 september 2001 heeft hij zich ziek gemeld vanwege burn-outklachten. Na eerdere begeleiding door onder meer de arbodienst is op 8 november 2002 de Dienst Employability en Externe Bemiddeling (DEMEB) van de KM ingeschakeld. De DEMEB heeft onderzocht of appellant, overeenkomstig zijn wens, kon worden begeleid naar een functie in het bedrijfsleven. Op 10 februari 2003 heeft het hoofd DEMEB geconstateerd dat, mede gelet op de daartoe vereiste inzet van appellant, verdere begeleiding door zijn dienst op dat moment niet zinvol was.

1.2. In februari 2004 heeft de staatssecretaris bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV) een functieongeschiktheidsadvies aangevraagd. Bij brief van

26 maart 2004 heeft het UWV gemeld dat appellant voor zijn functie weliswaar op de voorgenomen ontslagdatum twee jaar ongeschikt is wegens ziekte of gebrek, maar dat hij in elk geval binnen zes maanden na die datum weer in staat moet worden geacht de functie volledig te hervatten. Tevens heeft het UWV bij besluit van 26 maart 2004 appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 maart 2004 beëindigd.

1.3. In het kader van de re-integratie in zijn eigen functie heeft appellant op 14 juni 2004 op parttimebasis hervat, waarna hij zich op 21 juni 2004 wederom ziek heeft gemeld met burn-outklachten. Naar aanleiding van een in juli 2004 gedaan verzoek om toepassing van de wet Amber heeft het UWV bij besluit van 21 april 2005 vastgesteld dat het verzuim van appellant geen verband houdt met ziekte of gebrek en dat hem daarom met ingang van 12 juli 2004 geen WAO-uitkering wordt toegekend.

1.4. Tijdens een gesprek op 24 mei 2005 is aan appellant door de dienstleiding opgedragen zijn werkzaamheden op 26 mei 2005 te hervatten. Bij brief van 25 mei 2005 is de inhoud van dit gesprek aan appellant bevestigd. Tevens is hem daarin meegedeeld dat, indien hij zich niet vanaf 26 mei 2005 voor zijn werkzaamheden beschikbaar stelt, ontslag op grond van werkweigering zal volgen. Op 25 mei 2005 heeft appellant telefonisch aan de bedrijfsarts en een tweetal leidinggevenden meegedeeld niet te zullen hervatten op 26 mei 2005 en dat evenmin later te zullen doen. Appellant is inderdaad niet verschenen.

1.5. Bij brief van 27 mei 2005 heeft de staatssecretaris appellant in kennis gesteld van zijn voornemen hem vanwege zeer ernstig plichtsverzuim met toepassing van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder l, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) disciplinair ontslag te verlenen. Bij faxbericht van 2 juni 2005 heeft appellant laten weten geen gebruik te zullen maken van de hem geboden mogelijkheid zijn zienswijze over het ontslagvoornemen kenbaar te maken. Daarop is appellant bij besluit van 12 oktober 2005 strafontslag verleend met ingang van 1 november 2005. Dit besluit is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 21 december 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank zijn handelen ten onrechte als plichtsverzuim heeft aangemerkt. De rechtbank heeft volgens appellant nagelaten in haar uitspraak de voorgeschiedenis en de intenties van partijen te betrekken. Appellant mocht ervan uitgaan dat beoogd werd hem ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid, al dan niet wegens ziekte of gebrek. Het UWV-advies van 26 maart 2004, dat aanleiding vormde voor de opdracht tot werkhervatting, was veel te laat en niet meer relevant, aldus appellant.

De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris de handelwijze van appellant terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim. De staatssecretaris heeft zijn opstelling gebaseerd op de herhaalde vaststelling van het UWV dat appellant in staat was tot het verrichten van zijn eigen arbeid. Appellant heeft hier slechts tegenover gesteld dat hij bang was voor een nieuwe burn-out als hij zou hervatten, maar hij heeft verzuimd die subjectieve beleving met medische gegevens te onderbouwen. Ook heeft hij - naar zijn zeggen welbewust - geen rechtsmiddelen aangewend tegen de weigering van een WAO-uitkering en aldus de gelegenheid onbenut gelaten zijn ongeschiktheid alsnog met bewijzen te staven.

4.2. Waar appellant stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat beoogd werd hem ongeschiktheidsontslag te verlenen, miskent hij dat die intentie aanvankelijk wel bij de staatssecretaris bestond, zoals blijkt uit gespreksverslagen die zich onder de geding-stukken bevinden, maar dat die situatie veranderde toen het UWV appellant tot tweemaal toe in staat achtte zijn eigen werk te verrichten. De Raad kan billijken dat de staatssecretaris hieruit de conclusie heeft getrokken dat ongeschiktheidsontslag niet langer in de rede lag, en vervolgens heeft aangestuurd op werkhervatting door appellant.

4.3. De Raad stelt vast dat in de waarschuwende brief van 25 mei 2005 ten onrechte wordt verwezen naar artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bard. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij aan deze fout de rechtens te honoreren verwachting heeft mogen ontlenen dat hem daadwerkelijk ontslag wegens ongeschiktheid zou worden verleend. Die verwachting zou in strijd zijn met de strekking van de brief, waarin met ontslag wegens werkweigering wordt gedreigd. Bovendien is namens de staatssecretaris onweersproken gesteld dat appellant tijdens de door hem gevoerde telefoongesprekken op 25 mei 2005 heeft aangegeven zich bewust te zijn van alle mogelijke consequenties. De daarop volgende voornemenbrief van de staatssecretaris van 27 mei 2005 liet vervolgens geen enkele twijfel bestaan over de bedoeling van de staatssecretaris om aan appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim strafontslag te verlenen; daarbij werd ditmaal wél de juiste bepaling van het Bard vermeld. Uit het faxbericht van appellant, waarin deze meldde dat hij geen gebruik zou maken van de gelegenheid zijn zienswijze toe te lichten, blijkt dat appellant van de inhoud van die brief moet hebben kennisgenomen. Als appellant van mening was geweest dat het voornemen tot strafontslag op een kennelijke vergissing berustte, had het in de rede gelegen dat hij die zienswijze direct naar voren had gebracht.

4.4. De Raad concludeert uit de beschreven gang van zaken dat appellant willens en wetens in strijd met de hem daartoe gegeven opdracht heeft geweigerd zijn arbeid te hervatten, hoewel hij daartoe geschikt moest worden geacht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend. De staatssecretaris was derhalve bevoegd appellant disciplinair te straffen.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan aard en ernst van de aan appellant verweten gedraging. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant niet in een eenmalige opwelling heeft gehandeld, maar dat hij expliciet is gewaarschuwd voor de gevolgen van deze handelwijze en te kennen heeft gegeven ook in de toekomst zijn werkzaamheden niet te zullen hervatten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen lag het eerst opleggen van een lichtere disciplinaire straf dan ook niet voor de hand.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW