Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-4006 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2005:AU7036, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade tengevolge van herroepen primair besluit. Het is redelijk om genoten voordeel bij vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4006 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 juni 2006, 04/3880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens hun standpunt in verscheidene geschriften nader uiteengezet.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 januari 2008, waar appellant in persoon is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 9 mei 2003 verzocht om uitbreiding van zijn arbeidsduur van 30,32 uur per week tot 36 uur per week met ingang van 1 juli 2003. De staatssecretaris heeft bij besluit van 21 januari 2004, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 augustus 2004, dit verzoek afgewezen. Wel is bij besluit van 1 juli 2004 de arbeidsduur van appellant met ingang van 1 juli 2004 vastgesteld op 36 uur per week.

1.2. Het door appellant tegen het besluit van 9 augustus 2004 ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 9 november 2005 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het besluit van 9 augustus 2004 vernietigd, het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit van 21 januari 2004 herroepen en bepaald dat de arbeidsduur van appellant wordt vermeerderd tot 36 uur per week met ingang van 9 september 2003 en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 augustus 2004. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door appellant gevraagde schadevergoeding op grond van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.3. Ter vergoeding van de door appellant gemiste salariscomponenten heeft de staatssecretaris aan appellant in januari 2006 een bedrag van € 5.332,61 (bruto) uitbetaald, zijnde het verschil in salaris over de periode september 2003 tot en met juni 2004 en de daarbij behorende vakantie- en eindejaarsuitkering. Daarnaast is in april 2006 een bedrag van € 114,82 (netto) aan tegemoetkoming ziektekosten (BTZR) en een bedrag van € 125,- (bruto) ter verhoging van een aan appellant verstrekte eenmalige toeslag op grond van bijzonder presteren uitgekeerd.

2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de door appellant gestelde schade in de vorm van misgelopen vakantie- en compensatieverlof voor vergoeding in aanmerking komt. Appellant stelt dat hem voor 24 gemiste vakantie-uren een bedrag van € 477,84 (bruto) toekomt en voor 108 gemiste compensatie-uren € 2150,28 (bruto). De rechtbank heeft in de aangevallen (nadere) uitspraak het verzoek om vergoeding van deze schade afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellant tijdens de periode september 2003 tot en met juni 2004 werkzaamheden heeft verricht gedurende 30,32 uur per week, zodat er voor 5,68 uur per week geen vakantie- en compensatieverlof is opgebouwd, dat thans voor vergoeding in aanmerking komt.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het feit dat hij niet heeft kunnen werken gedurende 5,68 uur per week volledig het gevolg is van het onrechtmatige besluit van de staatssecretaris. Ook het feit dat hij gedurende die uren geen vakantie- en compensatieverlof heeft kunnen opbouwen, is daarvan een rechtstreeks gevolg, zodat hij daarvoor recht heeft op schadevergoeding. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat voor het opbouwen van bedoeld verlof daadwerkelijke dienstverrichting vereist is.

Voorts heeft hij gesteld dat weliswaar niet opgenomen compensatie-uren in beginsel aan het einde van het kalenderjaar vervallen en niet rechtstreeks voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat hij daarvoor, uitgaande van een arbeidsduur van 36 uur, indirect wel vergoeding had kunnen krijgen, door gebruik te maken van de mogelijkheid om maximaal 100 uren per kalenderjaar meer te werken dan de arbeidsduur en zich deze extra uren via de IKAP-regeling te laten uitbetalen. Bovendien had hij zich via de IKAP-regeling per kalenderjaar maximaal 36 vakantie-uren kunnen laten uitbetalen.

3.2. De staatssecretaris heeft er in zijn verweerschrift onder meer op gewezen, dat appellant aan het einde van de jaren 2003 en 2004 verlofuren naar het volgende jaar heeft overgeheveld, zodat hij kennelijk in die jaren al zijn wensen op dat gebied heeft kunnen vervullen. Voorts heeft hij zich in die jaren daadwerkelijk slechts in beperkte mate verlofuren laten uitbetalen, te weten 31 vakantie-uren in 2003. Appellant heeft dus evenmin schade geleden door gebrek aan afkoopmogelijkheden.

Voor zover wel sprake zou zijn van enige schade dient met toepassing van artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek voordeelverrekening plaats te vinden, nu appellant de feitelijk niet-gewerkte uren niet behoeft in te halen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat de door appellant gestelde schade met betrekking tot de gemiste compensatie-uren een hypothetisch karakter heeft, gebaseerd als zij is op de veronderstelling dat appellant, nadat zijn arbeidsduur per 9 september 2003 naar 36 uur per week zou zijn uitgebreid, toestemming zou hebben gevraagd om meer uren te werken, dat hem die toestemming ook zou zijn verleend, waarna die uren (tot een maximum van 100 uur op jaarbasis) hem via de IKAP-regeling zouden zijn uitbetaald. De Raad acht genoemde veronderstelling weinig realistisch, nu niet gebleken is dat appellant destijds gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij een werktijd van 30,32 uur per week naar evenredigheid (tot een maximum van 30,32/36 x 100 = 85 uur op jaarbasis) op basis van artikel 3 van de de IKAP-regeling een aanvraag te doen om meer uren te werken en zich deze te laten uitbetalen.

4.2. Indien al zou worden uitgegaan van de door appellant geponeerde hypothese, dan zou de door appellant geleden schade naar het oordeel van de Raad veel beperkter zijn dan door appellant is gesteld. Rekening houdend met het gegeven dat appellant ook ongeacht de onrechtmatige weigering van de door hem aangevraagde uitbreiding van zijn arbeidsduur, een aanvraag had kunnen doen om 85 uur per kalenderjaar meer te werken, bedraagt zijn schade op jaarbasis als gevolg van het later herroepen primaire besluit hooguit 15 uur, waarvoor hij via de IKAP-regeling meer salaris had kunnen ontvangen. Wat betreft de vakantie-uren dient er rekening mee te worden gehouden, dat appellant zich in 2003 reeds 31 uren heeft laten uitbetalen, zodat het in dat jaar om een schade van hooguit 5 uren gaat. Over het jaar 2004 had appellant bij een werktijd van 30,32 uur per week eveneens 31 uren kunnen verzilveren, zodat het in dat jaar eveneens om maximaal 5 uren gaat. Het aldus resulterende saldo van maximaal 25 uren is nog geflatteerd, doordat er bij de becijferingen geen rekening mee is gehouden dat het slechts om gedeelten van kalenderjaren gaat, met een totale duur van 10 maanden, terwijl eveneens buiten beschouwing is gelaten dat appellant bij een werktijd van 30,32 uur voor het opnemen van een bepaalde vakantieperiode minder vakantie-uren behoefde in de zetten dan bij een werktijd van 36 uur per week voor eenzelfde periode nodig zou zijn geweest.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant ten gevolge van de nabetaling die hij heeft ontvangen voor de periode in geding is betaald alsof hij 36 uur per week had gewerkt, terwijl hij in werkelijkheid slechts 30,32 uur per week arbeid heeft verricht.

De Raad stelt voorts vast dat het voordeel in de vorm van vrije tijd die appellant aldus heeft genoten en waarvoor hij (achteraf) salaris heeft ontvangen, aanmerkelijk groter is dan het in 4.2. becijferde saldo van maximaal 25 voor (indirecte) uitbetaling via de IKAP-regeling in aanmerking komende meerdere vakantie- en compensatie-uren, die appellant in zijn visie bij een werktijd van 36 uur uitbetaald had kunnen krijgen.

Met de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat het redelijk is om, nu het herroepen primaire besluit van 21 januari 2004 voor appellant naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking te nemen. Een en ander resulteert in een schade van nihil.

De Raad concludeert derhalve dat niet kan worden gezegd dat appellant met de aan hem in januari en april 2006 toegekende vergoeding van schade in de vorm van gemiste salariscomponenten en de weigering van vergoeding van de overige door hem gestelde schade tekort is gedaan.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW