Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-3825 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Benadeelde betrokkene in nevenfunctie de belastingdienst? Is straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim? Belang van integriteit van medewerkers belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/74

Uitspraak

06/3825 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 mei 2006, 05/1429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 27 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Q.A. Witsen Elias, werkzaam bij het ministerie van Financiën. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.P. Maris, advocaat te Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als groepsfunctionaris E bij de Belastingdienst/Centrale administratie, unit [naam unit], team [naam team]. Aan betrokkene is, laatstelijk bij besluit van 18 augustus 1999, toestemming verleend tot het verrichten van nevenwerkzaamheden van administratieve en technische aard als medevennoot van restaurant [naam restaurant]. te K. (hierna: restaurant). Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de Belastingdienst hier geen enkel nadeel van mag ondervinden.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat in het restaurant iemand werkzaam was die tevens een uitkering genoot, is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De processen-verbaal van dit onderzoek zijn in augustus 2004 met toestemming van de officier van justitie aan appellant beschikbaar gesteld ten behoeve van een eventuele tuchtrechtelijke procedure tegen betrokkene. Appellant heeft hieruit geconcludeerd dat gedurende een aantal maanden loon is uitbetaald aan een in het restaurant werkzame B., en dat betrokkene heeft nagelaten die betalingen in de loonadministratie van het restaurant te verantwoorden. Ook heeft hij daarvan geen melding gedaan aan de Belastingdienst of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), hoewel hij wist dat B. een WAO-uitkering ontving en dat deze loonbetalingen gemeld moesten worden.

Op die grond heeft appellant bij besluit van 10 februari 2005 betrokkene wegens ernstig plichtsverzuim onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 juli 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant zich weliswaar heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, maar dat de opgelegde straf onevenredig is aan het begane plichtsverzuim. Een voorwaardelijk ontslag, eventueel in combinatie met een geldboete, zou volgens de rechtbank de evenredigheidstoets wel doorstaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Betrokkene heeft gesteld dat, zo er al sprake was van plichtsverzuim, dat verzuim slechts van beperkte omvang was. De werkzaamheden van B. waren slechts een vriendendienst; van een arbeidsrelatie was geen sprake. Er is aan B. slechts een bescheiden bedrag aan reiskostenvergoeding uitbetaald; dat geschiedde met privégeld en niet uit de kas van het bedrijf. De suggestie dat het om zwart geld zou gaan, is misplaatst.

3.2. De Raad stelt, met de rechtbank, vast dat deze latere verklaring van betrokkene over de toedracht afwijkt van hetgeen hij aanvankelijk heeft verklaard. Uit die aanvankelijke verklaring blijkt dat B. van oktober 2003 tot april/mei 2004 werkzaam is geweest in het restaurant, en dat die werkzaamheden, die in de aanvang het karakter hadden van een vriendendienst in verband met de slechte gezondheid van de partner van betrokkene, zijn uitgegroeid tot betaalde arbeid. Voorts heeft betrokkene verklaard dat hij wist dat B. een uitkering had en niet mocht werken, en dat dat de reden was waarom hij de betalingen aan haar niet heeft verantwoord.

B. heeft tijdens haar verhoor in grote lijnen hetzelfde verklaard; uit die verklaring is voorts op te maken dat het om betalingen voor gewerkte uren ging ten bedrage van ongeveer € 450,- per maand.

3.3. Evenals de rechtbank acht de Raad op grond van deze bij eerste ondervraging afgelegde verklaringen het tenlastegelegde plichtsverzuim voldoende deugdelijk vastgesteld. Met de rechtbank acht de Raad onaannemelijk dat betrokkene zichzelf onder druk van de ziekte van zijn partner door een gedetailleerde, door hemzelf ondertekende, verklaring ten onrechte beschuldigd heeft. Bovendien valt daarmee niet te rijmen dat B., geheel onafhankelijk van het verhoor van betrokkene, een daarmee overeenstemmende verklaring heeft afgelegd. Voor zijn stelling, dat deze verklaring onder druk zou zijn afgelegd, heeft betrokkene geen enkel bewijs geleverd. Evenmin kan de Raad geloof hechten aan de op het essentiële punt van de loonbetalingen andersluidende verklaring van de partner van betrokkene.

Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim betrokkene niet ten volle kan worden toegerekend, staat vast dat appellant bevoegd was betrokkene wegens plichtsverzuim te straffen.

3.4. Resteert de vraag, of de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, CRvB 29 november 2007, LJN BC0487, mag de Belastingdienst, met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van die dienst en het vertrouwen dat de dienst in zijn medewerkers moet kunnen stellen, hoge eisen stellen aan de integriteit van zijn werknemers, ongeacht of zij een functie bekleden die direct in verband staat met het werkterrein waarop de overtreding is begaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, behoefde appellant bij zijn strafoplegging dan ook geen rekening te houden met het feit dat betrokkene zich uitsluitend bezig hield met de controle van motorrijtuigenbelasting en geen bemoeienis had met het werkgebied inkomstenbelasting.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad voorts in de betrekkelijk korte duur en de beperkte omvang van de betalingen geen reden om het plichtsverzuim minder ernstig te achten. Ook in de moeilijke financiële omstandigheden waarin betrokkene destijds verkeerde, ziet de Raad onvoldoende reden waarom met een lichtere strafoplegging had moeten worden volstaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking, dat het om herhaalde betalingen ging die bewust niet werden vastgelegd in het kasboek, en waarbij betrokkene zich bewust moet zijn geweest dat hij de Belastingdienst en het UWV benadeelde. Voorts kent de Raad betekenis toe aan de opstelling van betrokkene die, in plaats van spijt of berouw te tonen, de hem verweten gedragingen later heeft ontkend of gebagatelliseerd.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW

Q