Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06/5483 AW, 06/5492 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om toepassing bijzondere rechtsmiddel van herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5483 AW en 06/5492 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 2006, 05/3742 en 05/3872,

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar (hierna: college)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006, 05/3742 en 05/3872.

Het college heeft een reactie ingezonden.

Het verzoek is, gevoegd met zaak 07/4659, behandeld ter zitting van 14 februari 2008. Verzoeker is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en drs. A.W.G.J. van Kessel en S.J.W.M. in ’t Hout, beiden werkzaam bij de gemeente Zevenaar. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord mr. H.J. Winkelman, wonende te Zevenaar. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Tussen partijen is onderwerp van geschil geweest een besluit van 26 maart 2004 van het college, strekkende tot handhaving in bezwaar van een besluit tot het vaststellen van een beoordeling van het functioneren van verzoeker, alsmede een besluit van 23 juli 2004, strekkende tot handhaving in bezwaar van een besluit tot ontslagverlening aan verzoeker, onder wijziging overigens van de ontslagdatum in 1 april 2005.

In zijn uitspraak van 11 mei 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Arnhem in dit geschil van 27 april 2005, 04/911 en 04/1988, behoudens wat betreft de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, vernietigd. Voorts heeft de Raad bij deze uitspraak het beoordelingsbesluit voor zover het betrof de beoordelingsperiode vernietigd, deze beoordelingsperiode vastgesteld op 15 juli 2002 tot 1 januari 2003 en het beroep tegen het besluit betreffende de beoordeling voor het overige ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de Raad het beroep van verzoeker tegen het besluit betreffende het ontslag ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat de uitspraak van de Raad van 11 mei 2006 geen recht doet aan de onderhavige kwestie. Na de uitspraak van de Raad heeft verzoeker uitgebreid gesproken met de voormalige gemeentesecretaris Winkelman. Met de in dat gesprek door Winkelman gedane verklaringen, alsmede met een advies omtrent het doen organiseren van een studiedag informatievoorziening, dat voorafging aan een opdracht die heeft geleid tot het CMG-rapport van januari 1998 inzake het informatiebeleid bij de gemeente Zevenaar, wordt, aldus verzoeker, onomstotelijk aangetoond dat zijn functioneren in de periode 2002 en daarvoor niet ter discussie stond en dat de door Winkelman met hem gemaakte afspraken door het college niet zijn nagekomen.

4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor onder 1. bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.2. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd, ook destijds door hem aan de orde had kunnen worden gesteld bij de behandeling van het hoger beroep. Nieuwe feiten of omstandigheden, die aan verzoeker vóór de uitspraak van 11 mei 2006 niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, zijn door hem niet naar voren gebracht. Ook de verklaring van Winkelman, afgelegd ter zitting, bevat geen feiten of omstandigheden, die niet aan verzoeker bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn tijdens de behandeling van het hoger beroep. Al hetgeen Winkelman heeft verklaard over de inhoud van de met verzoeker in 2002 gehouden gesprekken had verzoeker ook reeds in het hoger beroep naar voren kunnen brengen en hij heeft dit ten dele ook gedaan. Verzoeker beoogt met hetgeen door hem in zijn verzoekschrift en ter zitting naar voren is gebracht veeleer ook nader bewijs aan te voeren voor argumenten en stellingen die hij reeds tijdens de behandeling van het hoger beroep naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Daartoe is de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak echter niet gegeven.

4.3. Verzoeker heeft in het kader van zijn verzoek ten slotte nog een aantal bezwaren naar voren gebracht omtrent de processuele houding van het college bij de behandeling van het hoger beroep en het late tijdstip waarop in die procedure nog stukken in het geding zijn gebracht. Hierin kan de Raad echter evenmin nieuwe feiten of omstandigheden zien, die verzoeker niet eerder bekend waren en door hem bij de behandeling van het hoger beroep niet aan de orde hadden kunnen worden gesteld.

4.4. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat al hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet voldoet aan de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb neergelegde vereisten, zodat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW