Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-3155 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerdere herzieningen WAO-uitkering. Extreme vermoeidheid na chemotherapie. Geen toereikende onderbouwing voor achterwege laten van urenbeperking. Toegenomen arbeidsongeschiktheid uit andere ziekte oorzaak? Verkorte wachttijd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3155 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2006, 04/2598 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Namens appellante zijn verschenen haar echtgenoot,

[naam echtgenoot] en mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was voorheen als behandelfunctionaris particulieren van 32 uur per week werkzaam bij de Belastingdienst en is op 20 november 1995 uitgevallen in verband met de behandeling van borstkanker. Appellante heeft vanaf 18 november 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) ontvangen die vanaf 24 november 1998 werd berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op grond van het feit dat appellante vanaf die datum voor 24 uur per week bij haar werkgever werkzaam was. In verband met vermoeidheidsklachten is appellante begin 2001 16 uur per week gaan werken. Op 14 mei 2001 is appellante volledig uitgevallen, maar zij heeft per 15 mei 2001 het werk hervat. Op 29 april 2002 is appellante volledig uitgevallen in verband met vermoeidheidsklachten.

Bij besluit van 26 november 2003 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van

13 mei 2002 verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is bij besluit van eveneens 26 november 2003 per 1 februari 2003 verlaagd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij het besluit van 12 oktober 2004 (bestreden besluit 1) is het bezwaar gegrond verklaard en onder (gedeeltelijke) herroeping van de besluiten van 26 november 2003 de uitkering alsnog per 1 januari 2002 verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en per 27 mei 2002 naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De verlaging per 1 februari 2003 naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% is daarbij gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 11 januari 2005 (bestreden besluit 2) genomen in de loop van de beroepsprocedure bij de rechtbank is de ingangsdatum van de verlaging van de uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% alsnog gesteld op 27 januari 2004 in plaats van 1 februari 2003.

De bestreden besluiten berusten, wat betreft de medische grondslag daarvan, op de rapportage van 3 november 2003 van de verzekeringsarts en de rapportage van 25 mei 2004 van de bezwaarverzekeringsarts.

In zijn rapportage van 3 november 2003 heeft de verzekeringsarts overwogen dat de informatie van de behandelend psycholoog onvoldoende inzichtelijk maakt dat er samenhang bestaat tussen de vermoeidheid en de borstkanker. De verzekeringsarts heeft het klachtenpatroon van appellante aangeduid als “reactief mentaal-emotioneel beeld op een langdurige overbelasting in samenhang met persoonskenmerken”.

De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportage van 25 mei 2004 per 2 januari 2001 niet de verkorte wachttijd maar de wachttijd van 52 weken van toepassing geacht, omdat de toegenomen klachten niet in overwegende mate zijn voortgekomen uit de borstkanker of de behandeling ervan. De bezwaarverzekeringsarts meent voorts dat er geen redenen zijn om na 1 februari 2003 nog een urenbeperking aan te nemen, omdat de extra belasting in de privé-situatie is verdwenen en al rekening gehouden is met de energetische klachten door (andere) op de FML gestelde beperkingen.

Radiotherapeut-oncoloog prof. dr. P.C. Levendag heeft in opdracht van de rechtbank een onderzoek ingesteld en in zijn rapportage van 24 november 2005 aangegeven daarbij geen afwijkingen te hebben gevonden. Geconcludeerd is dat appellante lijdt aan extreme vermoeidheid met ernstige belemmering van het dagelijkse functioneren na chemoradiatie in verband met borstkanker. De deskundige heeft aangegeven dat chronische vermoeidheid na behandeling van kanker vaak multifactorieel is bepaald en heeft geadviseerd appellante te laten onderzoeken door het kenniscentrum Chronische vermoeidheid van het St. Radboud-ziekenhuis te Nijmegen. In reactie op de informatie van Levendag heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat de conclusies van Levendag zijn gebaseerd op hetgeen appellante anamnestisch heeft ingebracht zodat de vermoeidheidsklachten niet zijn geobjectiveerd.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, is het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de klachten waarmee appellante in 2001 is uitgevallen niet in een causaal verband staan met de borstkanker of de ondergane behandelingen, maar hun oorsprong met name vinden in een langdurige overbelasting in samenhang met persoonskenmerken. De rechtbank heeft afgezien van nader deskundigenonderzoek, omdat de deskundige bij onderzoek geen afwijkingen heeft gevonden en het kenniscentrum Chronische vermoeidheid geen expertises doet.

Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1, behoudens voor zover dit ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid in de periode van 13 mei 2002 tot 27 mei 2002, en tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard.

Appellante heeft gesteld dat in verband met de per 2 januari 2001 toegenomen klachten de verkorte wachttijd van 4 weken van toepassing is. Onder verwijzing naar de informatie van behandelend psycholoog Haspels stelt appellante dat de vermoeidheidsklachten het gevolg zijn van de behandeling van de borstkanker. De klachten zijn volgens appellante geobjectiveerd en op grond daarvan diende de (bezwaar-)verzekeringsarts een urenbeperking aan te nemen. Appellante heeft - onder overlegging van een rapportage van een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts aangevoerd dat het Uwv in de beroepszaak van een andere verzekerde wel een oorzakelijk verband tussen vermoeidheidsklachten en een kankerbehandeling heeft aangenomen. Volgens appellante is sprake van een kennistekort bij een deel van de (bezwaar-)verzekeringsartsen en zou het Uwv pas onlangs voor de nodige bijscholing hebben gezorgd. Voorts heeft appellante gewezen op de uitspraak van de Raad van 6 september 2000 (LJN: AA8466). Appellante meent verder dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van nader deskundigen onderzoek. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte per 27 januari 2004 geen urenbespreking meer wordt aangehouden. Haar vermoeidheid is ook op die datum nog onverminderd aanwezig.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht geen verkorte wachttijd is aangenomen en de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2002 en per 27 januari 2004 juist is vastgesteld. Volgens het Uwv is het buiten twijfel dat de klachten niet het gevolg zijn van de kankerbehandeling. De vermoeidheidsklachten zijn niet geobjectiveerd, aangezien door de (bezwaar-)verzekeringsartsen en de deskundige Levendag bij onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden. Voor het stellen van een urenbeperking bestaat geen grond. Betwist is - hoewel hierover inderdaad recent bijscholing van (bezwaar-)verzekeringsartsen heeft plaatsgevonden - dat bij hen onvoldoende kennis bestaat over het optreden van vermoeidheidsklachten bij (voormalige) kankerpatiënten.

Ter beoordeling staat allereerst of de per 2 januari 2001 toegenomen klachten van appellante voortkomen uit dezelfde oorzaak als de klachten op grond waarvan zij voordien (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt werd geacht. Naar vaste rechtspraak van de Raad - waaronder de uitspraak van 7 september 2007, LJN: BB4029 - is artikel 39a, eerste lid, van de WAO eerst dan niet van toepassing indien het buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die van de ongeschiktheid terzake waarvan reeds uitkering wordt genoten.

Anders dan het Uwv is de Raad van oordeel dat de vermoeidheidsklachten van appellante in voldoende mate zijn geobjectiveerd. De deskundige Levendag spreekt van reële vermoeidheidsklachten en ook uit de rapportage van de behandelend psychologe blijkt dat er sprake is van ernstige vermoeidheid als gevolg van kankerbehandeling.

In de door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad van 6 september 2000 (LJN: AA8466) heeft de Raad overwogen dat in kringen van oncologen en radiotherapeuten niet omstreden is dat in gevallen waarin na chemotherapie of bestraling zich extreme vermoeidheidsklachten van een bepaalde duur en intensiteit voordoen deze klachten in een bepaald causaal verband staan met de doorgemaakte ziekte of de daartegen ondergane therapie. De Raad heeft dat verband plausibel geacht. De enkele omstandigheid dat de precieze aard van de causale relatie (nog) niet bekend is - en in zoverre het bestaan van vermoeidheidsklachten in verband met kankerbehandeling niet aan de hand van meetbare gegevens kan worden aangetoond - leidt niet tot een andere conclusie.

Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat buiten twijfel is dat vermoeidheidsklachten van appellante niet in oorzakelijk verband staan met de borstkanker of de behandeling ervan.

De Raad wijst op de informatie van de deskundige Levendag, de hiervoor aangehaalde overwegingen in de uitspraak van de Raad van 6 september 2000 en de door appellante in het geding gebrachte rapportage van een bezwaarverzekeringsarts. Op basis van deze gegevens staat naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de per 2 januari 2001 toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die van de ongeschiktheid terzake waarvan appellante voordien reeds een WAO-uitkering genoot. Het Uwv zal alsnog moeten bezien of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante na ommekomst van de verkorte wachttijd van artikel 39a, eerste lid, van de WAO, is toegenomen en, zo ja, in welke mate.

De Raad acht gelet op het voorgaande de verwijzing naar de vermindering van de belasting in de privé-situatie en de reeds gestelde energetische beperkingen geen toereikende onderbouwing voor het achterwege laten van de urenbeperking per

27 januari 2004. Het Uwv zal daarom ook opnieuw moeten bezien in hoeverre aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking per 27 januari 2004 en dient - mede gelet op de Standaard verminderde arbeidsduur - de opgedane ervaringen van appellante met hervatting in arbeid in de beoordeling te betrekken.

Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt, evenals bestreden besluit 1, voor zover daarbij de uitkering per 1 januari 2002 is verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%. Ook bestreden besluit 2 komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.771,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond, vernietigt bestreden besluit 1, voor zover daarbij de uitkering per 1 januari 2002 is verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, en vernietigt bestreden besluit 2;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.771,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. van Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) E.M. van Bree.

RJB