Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-6983 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Middelen. Overschijding vermogensgrens. Intrekking en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 137

Uitspraak

06/6983 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 november 2006, 06/2107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H.O. de Haas, kantoorgenoot van mr. Bouwman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van Delft, werkzaam bij de gemeente Renkum.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 februari 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat de auto met het kenteken [kentekennummer] van 1 november 2000 tot 21 januari 2002 op naam van appellante stond geregistreerd. Het betreft een Mercedes Benz, C 220 CDI, Sedan, bouwjaar 2000. Appellante is naar aanleiding hiervan bij brief van 9 november 2004 uitgenodigd op 12 november 2004 een aantal gegevens over te leggen. Bij besluit van 16 november 2004 is vervolgens het recht op bijstand met ingang van 1 november 2004 opgeschort, waarbij is aangegeven dat appellante binnen zeven dagen een aantal nader aangeduide gegevens dient te verstrekken. Nadien is appellante nog enkele malen uitgenodigd nadere gegevens aan te leveren en voorts hebben nog enkele gesprekken met haar plaatsgevonden. Naar aanleiding van door appellante overgelegde afschriften van haar bankrekening is gebleken dat zij vanaf juni 2000 regelmatig bedragen op deze rekening ontvangt.

Bij besluit van 29 september 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 1 februari 2000 ingetrokken op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het College de over de periode van 1 februari 2000 tot 1 november 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 39.251,96 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het College het terugvorderingsbedrag gecorrigeerd en vastgesteld op € 43.975,67. Bij besluit van 16 maart 2006 is het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooraf

Het College heeft de intrekking per 1 februari 2000 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat voor de bestuursrechter de periode van 1 februari 2000 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (29 september 2005) ter beoordeling voorligt.

De Raad stelt vervolgens - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank aan haar oordeel, wat de intrekking van de bijstand per 1 november 2004 betreft, artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag heeft gelegd er aldus niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 16 maart 2006 ten grondslag gelegde grond. Naar ook ter zitting van de Raad van de zijde van het College is bevestigd, berust de intrekking van de bijstand gedurende de gehele te beoordelen periode immers op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb van openbare orde is, reeds aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De intrekking over de periode van 1 februari 2000 tot 1 mei 2000

Appellante heeft verklaard dat zij niet kon rondkomen van haar bijstandsuitkering zolang zij bijstand ontving naar de norm voor een 18- tot 21-jarige en dat haar opa haar om die reden in die periode financieel heeft ondersteund. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat zij vanaf 2 juni 2000 regelmatig betalingen ontving. Naar ter zitting van de Raad ook door het College is erkend, is appellante niet om bankafschriften gevraagd die betrekking hebben op de periode van 1 februari 2000 tot 1 mei 2000. Appellante heeft ter zitting van de Raad verklaard dat eerst enkele maanden na toekenning van de bijstand duidelijk was dat zij niet kon rondkomen van haar uitkering en dat haar opa haar eerst vanaf 2 juni 2000 financieel heeft ondersteund.

De Raad acht de verklaring van appellante op dit punt niet onaannemelijk en neemt ter zake van deze periode geen schending van de inlichtingenverplichting aan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hier een belastend besluit betreft waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De intrekking over de periode van 1 februari 2000 tot 1 mei 2000 kan derhalve geen standhouden.

De intrekking over de periode van 1 mei 2000 tot 1 november 2000

Niet in geschil is dat appellante aanvankelijk geen melding heeft gemaakt van de van haar opa ontvangen betalingen. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het een lening betreft, nu deze stelling niet is onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De overgelegde overeenkomst van geldlening heeft uitsluitend betrekking op betalingen door haar opa vanaf januari 2005.

Appellante had de betalingen wel dienen te melden en heeft, door dit na te laten, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Zoals de Raad echter al vaker heeft uitgesproken, dienen bij de beantwoording van de vraag of als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, naderhand overgelegde stukken in de beoordeling te worden betrokken. Appellante heeft bankafschriften vanaf 24 mei 2000 overgelegd. Van andere dan de op die afschriften vermelde ontvangsten is de Raad niet gebleken.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, het College daartoe over dient te gaan en dat er dan geen plaats is voor het oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Wat de hier aan de orde zijnde periode betreft doet zich deze situatie voor, nu niet is gebleken van andere dan van haar opa ontvangen betalingen.

Het besluit van 16 maart 2006 berust dan ook in zoverre niet op een deugdelijke grondslag.

De intrekking over de periode van 1 november 2000 tot 21 januari 2002

Gedurende deze periode stond de auto met het kenteken [kentekennummer] op naam van appellante geregistreerd. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen van die betrokkene waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Vaststaat dat appellante in de onderhavige periode feitelijk gebruik heeft gemaakt van de auto en dat deze regelmatig bij haar woning stond geparkeerd. Aan de later betrokken stelling dat zij de auto alleen gebruikte om haar opa op te halen en weg te brengen, gaat de Raad voorbij nu zij eerder heeft verklaard dat zij de auto voor eigen gebruik had. De auto dient dan ook tot het vermogen van appellante te worden gerekend. Dat de vaste lasten die aan de auto zijn verbonden deels door haar opa zouden zijn betaald, maakt dit niet anders.

Het College is ervan uitgegaan dat de auto bij aanschaf een waarde had van ongeveer € 45.000,-- en bij verkoop ongeveer € 35.000,--. Dit is door appellante niet bestreden. Dat betekent dat appellante in de hier van belang zijnde periode over in aanmerking te nemen middelen beschikte die aan bijstandsverlening in de weg stonden. Anders dan het College heeft geoordeeld kon het recht op bijstand over deze periode dus wel worden vastgesteld, namelijk op nihil. Het besluit van 16 maart 2006 berust in zoverre op een onjuiste grondslag.

De intrekking over de periode van 21 januari 2002 tot en met 29 september 2005

Appellante heeft geen duidelijkheid verstrekt over de opbrengst van de auto en wat er met die opbrengst is gebeurd. Nu de auto, en daarmee ook de opbrengst bij verkoop daarvan, geacht wordt tot het vermogen van appellante te behoren en zij ter zake de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, dienen de gevolgen van de ontstane en voortdurende onduidelijkheid voor haar rekening en risico te komen. De Raad is van oordeel dat ten aanzien van de hier van belang zijnde periode de door het College aan het besluit van 16 maart 2006 ten grondslag gelegde grond kan worden onderschreven. Daarbij neemt de Raad in het bijzonder in aanmerking de hierboven vermelde waarde van de auto alsmede het feit dat appellante in een deel van de hier van belang zijnde periode tevens nog door haar opa financieel werd ondersteund. Dat het hier om een lening zou gaan, is niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat uit de overgelegde overeenkomst van geldlening niet blijkt van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

Wat de periode van 1 november 2000 tot en met 29 september 2005 betreft was het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Conclusie ten aanzien van de intrekking van bijstand

Het besluit van 16 maart 2006 dient te worden vernietigd wat de periode van 1 februari 2000 tot 21 januari 2002 betreft. Wat de periode van 1 februari 2000 tot 1 november 2000 betreft, zal het College een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Wat de periode van 1 november 2000 tot 21 januari 2002 betreft, ziet de Raad in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 2006 in stand blijven.

De terugvordering

Uit hetgeen hiervoor inzake de intrekking is overwogen volgt dat het besluit tot terugvordering niet in stand kan blijven. Een terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één daarin te vermelden bedrag en dat besluit ingevolge artikel 60, derde lid, van de WWB een executoriale titel oplevert. Het besluit van 16 maart 2006 komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het College zal ter zake dan ook een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Met het oog daarop merkt de Raad op, dat wat de periode van 1 mei 2000 tot de periode van 1 november 2000 betreft het terug te vorderen bedrag zal dienen te worden gerelateerd aan de blijkens de bankafschriften ontvangen betalingen van de opa van appellante. Wat de periode van 1 november 2000 tot en met 29 september 2005 betreft, is geheel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College is derhalve bevoegd over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. Terugvordering in deze zin zou in overeenstemming zijn met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid zou moeten afwijken.

Proceskosten

In het voorgaande ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2006 gegrond en vernietigt dat besluit wat betreft de intrekking voor de periode van 1 februari 2000 tot 21 januari 2002 en de terugvordering;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven wat betreft de intrekking over de periode van 1 november 2000 tot 21 januari 2002;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met in achtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Renkum aan de griffier;

Bepaalt dat de gemeente Renkum het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

AR130308