Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-3500 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering. Fictieve mate van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3500 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 mei 2006, 05/1421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W.A. Cornelissen, juridisch adviseur, gevestigd te Simpelveld, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelissen. Het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant exploiteert sedert 15 januari 1980 als zelfstandig ondernemer een timmer- en onderaannemingsbedrijf. Met ingang van 30 december 1992 is hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Vanaf 1 augustus 1996 is deze uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2001 heeft het Uwv het besluit van 20 juni 2001 gehandhaafd, waarbij met toepassing van artikel 33, eerste lid, sub a, van de AAW, respectievelijk per 1 januari 1998 artikel 58, eerste lid, sub a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), is bepaald dat de ingevolge die wetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering over de periode van 6 april 1997 tot 1 januari 2000 niet wordt uitbetaald op de grond dat de inkomsten van appellant uit arbeid in die periode zodanig waren dat niet langer sprake is van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 16 december 2002 het beroep van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2001 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 mei 2005, 03/459 WAZ heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank alsmede het besluit van 9 oktober 2001 vernietigd en aan het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak. Daartoe heeft de Raad - kort samengevat - overwogen dat geen aanknopingspunten bestaan dat appellant, zoals hij stelt, in de onderhavige periode in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en dat het Uwv terecht van de door appellant naar de fiscus toe verantwoorde winstverdeling is uitgegaan. Gelet op de werkzaamheden van appellants echtgenote in het bedrijf had het Uwv het aan appellant toekomende deel van de bedrijfswinst evenwel dienen vast te stellen door die winst te vermenigvuldigen met de zogeheten a/b factor als bedoeld in artikel 10 van het Inkomensbesluit AAW. De Raad heeft het besluit op bezwaar van 9 oktober 2001 vernietigd omdat het Uwv ten onrechte de gehele netto winst aan appellant heeft toegerekend en tevens omdat geen kenbare aandacht is besteed aan het standpunt van appellant dat zijn maatmaninkomen per 6 april 1997 gesteld had moeten worden op het wettelijke minimumloon.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 20 mei 2005 heeft het Uwv bij het besluit van 17 juni 2005 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juni 2001 opnieuw ongegrond verklaard. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2001 alsnog in zoverre gegrond verklaard dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1998 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% en de uitkering over het kalenderjaar 1999 wordt uitbetaald naar de klasse 35 tot 45%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 juni 2005 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 juni 2005 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard en beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep dat mede gericht wordt geacht te zijn tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het maatmaninkomen van appellant, dat is gebaseerd op het destijds geldende minimumloon, is ge-indexeerd naar de jaren 1997, 1998 en 1999. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige dat gelet op de inbreng van appellant en zijn echtgenote in de onderneming in de jaren 1997 tot en met 1999 de in die jaren behaalde winst gelijkelijk aan hen beiden is toe te rekenen, voor onjuist te houden.

In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat de omzet uitsluitend is behaald door zijn echtgenote en zijn twee zonen die in het bedrijf werkzaam zijn. Volgens appellant was hij vanwege zijn gezondheidstoestand in het geheel niet in staat te werken en voor zover hij in het bedrijf al enige activiteit heeft ontplooid kan daaraan geen enkele loonwaarde worden toegekend.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat de bezwaararbeidskundige F.C. Schrijer in het rapport van 15 september 2005 bij de berekening van de fictieve mate van arbeidongeschiktheid van appellant in het jaar 1997 abusievelijk is uitgegaan van een te hoog bedrag aan winst. Uitgaande van de juiste bedragen aan ge-indexeerd maatmaninkomen en behaalde winst is berekend dat de AAW-uitkering van appellant over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 moet worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend ziet op de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom is blijkens het rapport van 8 juni 2005 bij de berekening van het maatmaninkomen van appellant uitgegaan van het wettelijke minimumloon per 30 december 1992 en heeft dat bedrag vervolgens ge-indexeerd om het maatmaninkomen van appellant in de jaren 1997 tot en met 1999 vast te stellen. De grief van appellant dat ten onrechte de indexering van het maatmanloon achterwege is gelaten, kan de Raad derhalve niet onderschrijven.

In zijn uitspraak van 20 mei 2005 heeft de Raad het standpunt van appellant dat hij niet in staat was in zijn bedrijf werkzaamheden te verrichten en dat de omzet is behaald door zijn echtgenote en zijn zonen reeds verworpen. In dat verband heeft de Raad gewezen op een rapport van 21 juni 1997 van een verzekeringsarts waarin melding is gemaakt van werkzaamheden door appellant in een omvang van 10 uur per week (met name offertes maken) en de opgave van appellant, zoals gerapporteerd door prof. dr. M. Kuilman, dat hij de baas is in het bedrijf en dat hij gedurende twee dagen per week in zijn bedrijf werkzaamheden verricht, bestaande uit het opmeten van kozijnen en het bezoeken van klanten. Appellant heeft evenwel ook na de uitspraak van 20 mei 2005 volhard in zijn standpunt dat hij in zijn bedrijf niet werkzaam is geweest. Bezwaararbeidsdeskundige Schrijer heeft op basis van de beschikbare gegevens aangenomen dat zowel appellant als zijn echtgenote in de onderhavige periode winstgenerende arbeid hebben verricht en dat beiden hebben gezorgd voor het voortbestaan van de onderneming, ieder met zijn eigen specifieke vaardigheden en wisselende inbreng in tijd en taken, en dat ondernemingsbeslissingen in onderling overleg werden genomen. De bezwaararbeidsdeskundige was van mening dat voldoende aanleiding bestaat om aan appellant en zijn echtgenote elk 50% van de winst toe te rekenen. De Raad heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd, ook ter zitting van de Raad, onvoldoende aanleiding gevonden om deze verdeling van de winst voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat de inbreng van appellants zonen, die in het bedrijf in loondienst werkzaam zijn, in dit verband niet van belang is omdat de behaalde bedrijfswinst uitsluitend aan appellant en zijn echtgenote worden toegerekend.

Appellant heeft de berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid, zoals vermeld in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Schrijer van 15 september 2005, niet betwist en ook de Raad heeft geen aanleiding om die berekening voor onjuist te houden, behoudens dat, zoals het Uwv heeft erkend, de AAW-uitkering over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 dient te worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

Gelet op het voorgaande zal de Raad de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - vernietigen en het bestreden besluit, voor zover daarbij is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant over de periode 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 wordt uitbetaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, vernietigen en - zelf in de zaak voorziend - bepalen dat die uitkering over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij is bepaald dat de AAW-uitkering over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%;

Bepaalt dat de AAW-uitkering over de periode van 6 april 1997 tot en met 31 december 1997 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

RJB