Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-5383 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Middelen. Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand gedurende de periode in geding is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 167

Uitspraak

06/5383 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2006, 05/5306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. Deiman, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Namens appellant is verschenen mr. Deiman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 2 mei 1989 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Eerst in de loop van 2004 is het College bekend geworden met het feit dat de echtgenote van appellant al geruime tijd twee bankrekeningen op haar naam heeft staan. Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 1 juni 2004 opgeschort in afwachting van nadere gegevens van appellant over deze bankrekeningen. Nadat appellant een deel van de gevraagde gegevens had overgelegd, heeft het College bij besluit van 15 december 2004 de uitkering weer hersteld en aan appellant daarbij de gelegenheid geboden voor

1 februari 2005 een aantal bewijsstukken over te leggen. Omdat appellant hieraan volgens het College niet volledig heeft voldaan, is de bijstand bij besluit van 7 maart 2005 ingetrokken met ingang van 1 februari 2005. Bij besluit van 13 oktober 2005 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij als motivering is vermeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het gaat hier om een intrekking van de bijstand met ingang van een in het verleden gelegen datum. Het College heeft de intrekking vanaf 1 februari 2005 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dat voor dit geval dat de periode van 1 februari 2005 tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (7 maart 2005) ter beoordeling voorligt.

De echtgenote van appellant had ten tijde hier van belang twee bankrekeningen op haar naam staan. Op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] stond op 19 augustus 2003 een positief saldo van € 24.486,31. Volgens appellant behoort dit bedrag toe aan een nicht van zijn echtgenote. Deze nicht woonde in de Verenigde Staten van Amerika en zou het geld op de rekening van zijn echtgenote hebben gestort om daarvan op enig moment een huis te kopen in Nederland. In 2003 heeft de nicht een deel van het geld, te weten € 14.500,--, aangewend om een huis in Pakistan te kopen. Dit geld is door een zoon van appellant meegenomen naar Pakistan. In juli en augustus 2004 heeft appellant in totaal € 11.000,-- van deze rekening opgenomen en aangewend voor zijn levensonderhoud. Op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] stond op 12 oktober 2004 een positief saldo van € 1.914,46.

Appellant bestrijdt allereerst dat zijn echtgenote over het geld op de rekening met nummer [rekeningnummer 1] kon beschikken. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij of zij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Appellant heeft verklaard dat in 2003 geld is opgenomen van de rekening ter bekostiging van de opleiding van zijn dochter. Ook zijn van die rekening betalingen verricht aan de verhuurder en de Belastingdienst. Bovendien zijn in 2004 bedragen opgenomen om in het levensonderhoud van appellant en zijn echtgenote te voorzien. Dat het om een lening van de nicht van echtgenote van appellant zou gaan, acht de Raad acht niet aannemelijk, nu een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting niet is komen vast te staan. De verklaring van de nicht van 12 september 2005 vermeldt uitsluitend dat sprake is van een schuld, die moet worden terugbetaald.

Gelet op het voorgaande dient het saldo op de rekening met nummer [rekeningnummer 1] tot het vermogen van appellant te worden gerekend. Dat dit ook geldt voor het saldo op de rekening met nummer [rekeningnummer 2] is niet in geschil. Appellant was gehouden van deze rekeningen en de daarop staande saldi mededeling te doen aan het College. Nu appellant dit niet heeft gedaan, staat vast dat hij de op hem rustende inlichtingverplichting heeft geschonden.

Dit betekent echter niet dat de Raad zich kan vinden in het standpunt van het College, inhoudende dat gedurende de periode van 1 februari 2005 tot en met 7 maart 2005, als gevolg van die schending, het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het saldo op beide bankrekeningen was in de betreffende periode vrijwel nihil. Dat appellant de in juli en augustus 2004 opgenomen bedragen heeft aangewend om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, acht de Raad voldoende aannemelijk. Hierbij wordt van belang geacht dat het recht op bijstand vanaf 1 juni 2004 was opgeschort, en concrete aanwijzingen ontbreken dat appellant ten tijde hier van belang kon beschikken over andere middelen. Voorts is de Raad, gelet op de data waarop de betreffende bedragen zijn opgenomen alsmede de hoogte van het voor appellant geldende vrij te laten vermogen, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de situatie in de te beoordelen periode zo onduidelijk was dat het recht op bijstand niet was vast te stellen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2005 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens wordt het College opgedragen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 oktober 2005;

Bepaalt dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

IJ