Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
07-335 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Hennepkwekerij. In beroep vernietiging van besluit op formele gronden met instandlating rechtsgevolgen. Proceskostenveroordeling in beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/168

Uitspraak

07/335 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 januari 2007, 06/436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuipers, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Vanaf 1990 ontvangt appellant met enige onderbrekingen een bijstandsuitkering, laatstelijk vanaf 10 augustus 2004 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van de melding van de politie Haaglanden dat in het kader van het onderzoek Haagsche Gladiolen op 20 januari 2005 in de woning van appellant een hennepkwekerij is ontmanteld, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: Dienst SZW) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van het onderzoek is op 28 april 2005 aan appellant een huisbezoek gebracht waarbij hij een verklaring heeft afgelegd.

De bevindingen van het onderzoek van de Dienst SZW, neergelegd in het rapport van 29 juli 2005, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 augustus 2005 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 12 november 2004 tot en met 20 januari 2005 te herzien (lees: in te trekken). Tevens heeft het College bij dit besluit de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.153,66 van appellant teruggevorderd.

Voorts heeft het College bij besluit van 8 augustus 2005 een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van de bijstand met 20% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand, met ingang van 1 augustus 2005.

Bij besluit van 5 december 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 2 en 8 augustus 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College onder meer ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting op grond van de WWB heeft geschonden door geen melding te maken van de hennepkwekerij in zijn woning ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 december 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover hierbij de schending van de inlichtingenverplichting gebaseerd is op artikel 17 van de WWB en de maatregel met terugwerkende kracht is opgelegd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. De rechtbank heeft ten slotte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de omvang van de door de politie op 20 januari 2005 bij appellant aangetroffen in werking zijnde hennepkwekerij en de aanwezige apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake is geweest van een professionele kwekerij.

Voorts is de Raad van oordeel dat de intrekking van de bijstand over de periode van 12 november 2004 tot en met 20 januari 2005, gebaseerd op het standpunt van het College dat appellant heeft verzwegen dat hij in de periode in geding een hennepkwekerij heeft opgezet en in bedrijf heeft gehouden, berust op een voldoende feitelijke grondslag. De Raad neemt daarbij de verklaring van appellant van 28 april 2005 in aanmerking waaruit is af te leiden dat de hennepkwekerij bestond uit 135 planten die tijdens de ontmanteling op 20 januari 2005 ongeveer 7 weken oud waren. Tevens acht de Raad in dit kader van belang dat op grond van artikel 45, eerste lid, van de WWB de bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de exploitatie van een kwekerij een voorbereidingsperiode voorafgaat en dat de in aanmerking genomen voorbereidingstijd niet onredelijk is. Tot slot acht de Raad in dit kader van belang dat appellant over de precieze startdatum van de kwekerij geen (controleerbare) informatie heeft willen verstrekken, waarmee hij in zoverre een bewijsrisico heeft genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn risico en rekening dienen te blijven.

Appellant heeft aangevoerd dat hij over de periode in geding geen inkomsten heeft gehad aangezien er niet is geoogst vanwege de ontmanteling van de kwekerij op 20 januari 2005. In dat kader verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2006, LJN AZ4423, waaruit is af te leiden dat melding gemaakt dient te worden van het verrichten van werkzaamheden gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een kwekerij aangezien dit wordt aangemerkt als een omstandigheid welke van belang is voor de verlening van bijstand, ongeacht of daaruit inkomsten worden genoten. Bovendien wijst de Raad er in dit kader nog op dat appellant op 28 april 2005 heeft verklaard dat hij een vergoeding kreeg voor het exploiteren van de hennepkwekerij in zijn woning.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, ten gevolge waarvan het recht op bijstand over de periode van 12 november 2004 tot en met 20 januari 2005 niet is vast te stellen.

Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant over de periode van 12 november 2004 tot en met 20 januari 2005 verleende bijstand in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over voornoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.153,66 van appellant terug te vorderen. Wat de uitoefening van zijn bevoegdheid tot terugvordering betreft stelt de Raad vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van zijn beleid had moeten afwijken.

Voor zover het beroep van appellant zich richt tegen de maatregel ziet de Raad geen aanleiding het oordeel van de rechtbank, te weten dat het College terecht met toepassing van de Maatregelenverordening de bijstand heeft verlaagd met 20% voor de duur van een maand, voor onjuist te houden.

Betreffende het beroep van appellant tegen de beslissing van de rechtbank om geen gebruik te maken van de in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid het College te veroordelen in zijn proceskosten overweegt de Raad dat in de bestuursrechtspraak als algemeen uitgangspunt geldt dat een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan volgt op een vernietiging van een besluit. Dit berust op de gedachte dat door een onrechtmatig besluit veroorzaakte schade - waaronder proceskosten - in beginsel dient te worden vergoed. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat de vernietiging is gebaseerd op formele gronden en dat de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten, zodat niet kan worden geoordeeld dat appellant redelijkerwijs kosten heeft gemaakt voor de behandeling van het beroep. De Raad ziet in de overweging van de rechtbank echter geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad in de gegeven omstandigheid dan ook niet kunnen afzien van een proceskostenveroordeling ten laste van het College.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het College veroordelen in de proceskosten van appellant bestaande uit de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 644,--.

De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen aanleiding is gezien voor een proceskostenveroordeling;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

IJ120308